L’enfer

Mijn eerste zorgopleiding deed ik in een joods verpleeghuis. Vier dagen per week werken, één dag in de week naar school. Niks snuffelstage, niks wennen. Ineens was ik daar, op een afdeling voor zwaar dementerende mensen, waar het naar urine rook, waar zij hologig door de gangen schoven, mager, gerimpeld, met luiers aan, met blauw geworden concentratiekampnummers op hun armen.
De eerste weken dacht ik elke dag: ik blijf hier niet. Het is hier eng. Het stinkt. Ik vind het zo zielig.
Dat laatste bleef ik denken. Maar aan de geur wende ik. Na een poosje leerde ik de bewoners kennen, die niet eng waren, maar wel te grazen genomen door het leven. De nummers op hun armen een blijvend bewijs van de hel die ze hadden doorgemaakt. Het schuifelen door een verpleeghuisgang hun huidige hel. Mijn hoofd kon het niet goed rijmen. Hoe konden we mensen die zoveel hadden meegemaakt, hun leven laten eindigen op een kamer voor vier, met slechts een bed, een nachtkastje en wat foto’s aan de muur? Mensen, zoals ik het nu zie, met dementie en PTSS, die gruwelijk konden gillen en huilen als ze hun kampjaren herbeleefden, of hun jeugd, die gekenmerkt was door het verliezen van ouders, kinderen, geliefden.
Ik was jong, en probeerde het te begrijpen, maar het was zoveel om te begrijpen en te voelen. En ondertussen moest ik hen wassen, aankleden, eten geven, uit de poep halen, medicijnen geven. Bij de deur weghalen als ze naar huis wilden. Op dokters’ orders achter een tafelblad zetten als ze zich aan het doodlopen waren. Waarop ze ‘kapo!’ sisten en ik ging huilen in de wc, omdat ik me nooit had voorgesteld dat ik mensen die zo oud en kwetsbaar waren hun vrijheid zou moeten benemen.
De trauma’s zag je terug bij hun nakomelingen. Er kwamen familieleden op bezoek die puissant rijk waren, maar toch vroegen of ze restjes eten uit de koelkast mee mochten nemen. Er was een dochter die elke dag, 7 dagen in de week, de hele dag bij haar moeder bleef, die nergens op reageerde. ‘We hebben samen in het kamp gezeten, door haar leef ik nog. Nu zorg ik voor haar.’
Er waren bewoners die eten uit de kasten stalen en in hun hemd verstopten. Er waren bewoners die zo moesten huilen van de foto’s aan hun eigen muur, omdat iedereen daarop vergast was, dat we de foto’s weghaalden.
Het was zo rauw, dat ik de herinneringen haarscherp op mijn harde schijf heb staan. Ik kan me van de eerste twee afdelingen waar ik stage gelopen heb nog elke bewoner voor de geest halen. Ik herinner me ook wat een machteloos gevoel het soms gaf. Dat ik, bleue adolescent, me nog niet een schijntje van de impact kon voorstellen die oorlog en vernietigingskampen op deze mensen had gehad.
Pas later begreep ik ook wat deze oorlog met mijn eigen familie had gedaan- levens in de knop gebroken.
De Tweede Wereldoorlog raakt steeds verder weg, en dat is, in het licht van alle huidige oorlogen in de wereld die aandacht behoeven, misschien ook logisch. De mensen die het meegemaakt hebben worden schaarser in aantal, herinneringen worden overleveringen. Elk jaar gaan er meer stemmen op die zeggen dat Dodenherdenking en Bevrijdingsdag afgeschaft moeten worden. Dat zal wellicht ook gaan gebeuren in de toekomst.
Bij mij krijg je 4 en 5 mei er niet meer uit, net zoals Koningsdag er nooit meer goed in zal slijpen- daarvoor heb ik te vaak Koninginnedag gevierd.
Vandaag herdenk ik de mensen die gestorven zijn in een zinloze oorlog, zoals er ook vandaag en morgen zovelen zijn.
Morgen denk ik aan de mensen die bevrijd werden na vijf jaar hel op aarde. En elk jaar denk ik even aan ‘mijn’ bewoners, aan nummers op armen en kamertjes met een bed en een nachtkastje. Aan een hel die soms niet stopt, een leven lang niet.

De kraai

Ik zou het geen wakker worden noemen, daar was geen tijd voor. Het gekras van de kraai boven mijn raam zorgde ervoor dat ik meteen rechtop in bed zat. Het was alsof de kraai naast me in mijn oor zat te schreeuwen, op het kussen van mijn afwezige echtgenoot. ‘Onheil,’ dacht ik en luisterde onder mijn dekbed totdat de kraai even plotseling stopte met zijn schorre geroep als hij begonnen was. Wat deed hij zo dicht bij mijn raam? We zijn hier gewend aan vogelgeluiden die ons wakker maken, er zit zelfs een vogelnestje vlak onder het dak bij onze slaapkamer. Maar dit was indringend. Griezelig zelfs. In verhalen, films en legendes staat de kraai symbool voor de dood en akelig nieuws. Gevoed door de westerse verhalencultuur schoot dit me als eerste te binnen.
Op internet zocht en vond ik een boodschap die me meer aansprak: ‘Het zijn begeleiders die tussen hemel en aarde een oogje in het zeil houden of het wel goed met je gaat. Ze komen een groet brengen van overleden geliefden en laten je weten dat je nooit alleen bent op deze soms keiharde planeet. Het kan dan ook geen kwaad om de kraai of kraaien die je telkens ziet te groeten en te danken dat ze bij je zijn.’
Dat is het fijne van internet; voor elke vervelende boodschap is wel een tegenhanger te vinden die beter bij je past. Voor een omineus gevoel heb ik geen kraai nodig dezer dagen; daar zorgen corona en het bijbehorende algehele doemgevoel dat me elke ochtend overvalt wel voor. Het valt me steeds zwaarder om uit bed te komen en de dag te vullen met video-vergaderen en bellen, een obligate wandeling te maken en ‘s avonds met suizende oren van de overdaad aan telefonades in bed te vallen. Ik mag niet klagen, we moeten door, schouders eronder, enzovoort, maar die fase heb ik zes weken volgehouden en nu is het tijd om mijn zwaarmoedige kant de ruimte te geven. Want die is er ook. Niet te lang, want lamlendig op de bank hangen, eindeloos slapen en nergens zin in hebben is voor niemand goed, ook niet voor mij. Maar voor nu mag het even.
Misschien kwam de kraai dat vertellen. Je bent niet alleen. Hou vol. Slaap maar, hang maar. Eet chocola. Maak je niet druk over je bovenarmen, die spieren komen wel weer. Gegroet.
Of misschien is het fake news en kwam hij het nestje onder het dak leegroven.
Voor nu geloof ik even wat me het beste uitkomt.

Coronapost

Droom

Vannacht droomde ik dat ik longkanker had, in beide longen. Er was niets meer aan te doen. In de droom was ik soms in paniek, en soms berustend. Ik was ongerust over mijn gezin en dat ik ze zo vroeg al moest achterlaten. De vriend die ik lang geleden had en jong stierf kwam ook voorbij in de droom. Afgezien van de jaren na zijn dood heb ik nooit zo vaak aan hem teruggedacht als nu. Alles in het nieuws triggert herinneringen aan hem. Het IC-bed waar hij in lag na zijn spoedoperatie. De dokters die in en uit liepen. De apparaten rond zijn bed die bliepten en piepten. De zware stilte nadat die waren uitgezet. De stukjes lijm in zijn haar van het EEG-apparaat. De lucht van de Palmolive, waarmee we hem wasten na zijn dood, en die ik daarna niet meer kon verdragen.
Daarna droomde ik veel, en vaak. Dat doe ik nu weer.

In quarantaine

We zijn niet in quarantaine of zelf-isolatie. We werken thuis, de vierde week is net voorbij. Eind februari verbood ik mijn eega om met het openbaar vervoer te reizen, we gingen voortaan samen met de auto. Ik bestelde grote flessen handgel en mondkapjes. Ik heb geen vooruitziende blik, wel het brein van een verpleegkundige met een flinke dosis smetvrees erbij. De handgel ging in de auto, na elk bezoek aan een verpleeghuis waar ik werk waste ik mijn handen en goot voor de zekerheid wat ontsmettende gel over mijn handen.
‘Heb je geen corona?’ vroeg ik aan mijn moeder, die al weken aan het hoesten was en een kuurtje had gekregen van de huisarts. ‘Nee hoor,’ zei ze en kwam langs.
‘Ik denk dat ik toch corona heb gehad,’ zei ze gisteren tijdens het beeldbellen. ‘Wat ben je toch een eigenwijze babyboomer,’ zei ik. Dat kon ze gelukkig goed hebben.
Ik werd verkouden, met een loopneus. Ik ben in geen 25 jaar verkouden geweest en heb nooit griep. Wel darmvirussen, die vloeren mij soms letterlijk en figuurlijk. Deze loopneus was nieuw voor mij. Ik appte mijn broer, die op bezoek zou komen. ‘Oh nee, dan gaan we allemaal dood,’ appte hij terug, en kwam op bezoek met zijn gezin. We hadden een heel gezellige dag. Niemand is ziek geworden, ik hield twee weken lang een loopneus en een druk op mijn keel. De loopneus is overgelopen naar mijn man, die hem elke paar minuten ophaalt tot ik vraag of hij zijn neus wil snuiten. Dat doet hij. We werken samen in een ruimte. Het is geven en nemen.

Introvert

Ik ben een introvert die uitstekend overweg kan met een beperkte leefruimte. Daar ben ik de afgelopen weken achter gekomen. Wat we missen weet ik niet precies, ik haal afspraken uit mijn agenda zonder er al te veel bij stil te staan. We eten samen als gezin, wandelen of fietsen op vrije dagen, helpen onze zoon met zijn dagschema en werken. Er zijn geen ergernissen, behalve de gebruikelijke: de loopneus die opgehaald wordt, het nachtelijk gesnurk, het extreme uitslapen en uitstellen van de puber en de vaste uitspraken die daarbij horen: ‘ja-ha’, ‘bijna, ‘ik doe het zo’ en ‘ik doe het straks.’
Hoe het zou gaan als ik geen gezin had durf ik niet te bedenken. Ik heb tien jaar alleen gewoond en dat ging me uitstekend af. Maar in een tijd als deze ben ik blij met de mensen die ik dicht bij me heb. Zij zijn alles wat ik nodig heb voor nu. Het nu is ook alles wat ik aan kan. Per dag leven was nog nooit zo makkelijk.

Het nieuws

Ineens keken we elke avond het acht-uur journaal. Ik had daarbij zenuwen alsof ik zelf voor een katheder moest staan. De regels die werden afgekondigd nam ik in stilte aan. We probeerden onze zoon uit te leggen wat er gebeurde. We hebben heel veel aan hem uitgelegd de afgelopen weken. Hij belichaamt de veerkracht die de jeugd kenmerkt: even verdrietig om het gala dat niet doorgaat, om de vrienden die hij al weken alleen online spreekt, het autoproject waar hij aan begonnen was en dat niet doorgaat, het eindexamen dat hij mist. Daarna pakt hij de draad weer op en leeft binnen de beperkingen die er zijn. In grote luxe, dat besef willen we hem bijbrengen. In een huis met een tuin, een warme douche, voldoende te eten en ouders die hem liefdevol op de huid zitten- ik begrijp wel waarom hij soms tijdens een wandeling een alternatieve route kiest en we hem bemodderd bij de voordeur treffen. Even alleen zijn met jezelf en de blauwe lucht en de slootjes en de ooievaars, die verschrikt opspringen omdat jij door hun wei banjert. Hij doet het goed. Ik zie steeds meer de volwassene in hem gloren die hij zal worden.

We kijken minder naar het nieuws. Ik schreef boze brieven naar columnisten, die meenden dat mensen met obesitas minder recht hebben op een IC-bed dan ‘mensen die gezond hebben geleefd.’ Alsof obesitas een keuze is, alsof iedere zwaarlijvige zich een weg vreet door frituur en liefst geen vinger optilt. Voor mij, een vrouw met overgewicht, maar wel een die tot in het najaar twee tot drie keer per week sloeproeide en zich naar de sportschool sleepte een persoonlijke belediging.
Ik lees kranten, maar kies selectief wat ik daarin lees. Ik kan geen cijfers of grafieken meer zien. Ik vermijd alles waar ‘doden’ of ‘sterven’ in staat. Aan de beurt komen we toch wel. Het zal me overkomen of niet. Ik kies voor humor, relativering, ethische vragen; voor strips en columns die geen vingertje heffen. Op Instagram kijk ik naar foto’s van de mensen die ik aardig vind en vermijd ik beroemdheden die wijsheden in de ether slingeren. Ik ben zuiniger geworden met mijn aandacht, die verstrooi ik niet.

Buiten

We doen eens per week boodschappen. Dat deden we al. Nu mijden we echter grote supermarkten en kiezen voor kleiner en dorpser. Het 1,5 meter spel dat zich buiten afspeelt is de samenleving in een notendop. Er zijn mensen die het navolgen, er zijn mensen die vinden dat ze een rebel zijn door schouderophalend vlak langs je te lopen. Ik zie ouderen in verwarring stokstijf in een winkel staan, niet wetend welke kant ze op moeten. Ik wacht zelf soms heel erg lang tot ik erlangs kan, zodat die afstand gewaarborgd wordt. Ik ontsmet alles wat ik heb aangeraakt. De boodschappen nog net niet, maar ik was wel mijn handen nadat ik ze heb uitgepakt. Alles is besmettelijk en veel maatregelen zijn een wassen neus, maar waar het precies begint en ophoudt weet ik niet.
Buiten lopen we waar weinig anderen komen. Dat kan hier in Drenthe. Hardlopers zijn degenen die vinden dat de ander opzij moet en tikken je soms aan in het voorbijgaan. Het voelt als in het zwembad, waar de snelzwemmers hun eigen baan opeisen.

De wandelaars zeggen elkaar gedag. Altijd met een serieuze, samenzweerderige knik. Alsof we weten wat we doen en waarom. Dat is niet zo, maar de knik naar elkaar werkt geruststellend. We zitten hier samen in. We bezweren het door te wandelen. De natuur kalmeert ons en heeft ons niet nodig. Alles bot uit, wordt groen, vliegt, dwarrelt en zweeft, bijgestaan door een lucht die blauwer is dan ooit. We proberen te genieten en het lukt.



Lezen in onzekere tijden

Ik heb altijd al veel gelezen, en gek genoeg lees ik nog meer als ik het druk heb, of gespannen ben. Het is voor mij een manier om ergens anders te zijn, in een verhaal waar ik toeschouwer ben. Misschien juist omdat ik in het dagelijks leven helemaal geen toeschouwer ben, en er moet zijn in de wereld, moet handelen. Dat heb ik mezelf moeten aanleren, ik ben van nature een dromer. Ik mag dromen als ik lees.
Zo probeerde ik al lezend onder mijn bevalling uit te komen, maar dat werkte gek genoeg niet. Tegen beter weten in probeer ik het ook nu een gevaarlijk virus de mensheid teistert.
In een andere wereld stappen is troostend, maar soms ook bevestigend of confronterend. Ik heb het nodig om gedachten en verhalen van anderen te kennen, het brengt me dichter bij de ander, juist nu dat niet kan. Het hoeven geen opwekkende verhalen te zijn. Ik heb een voorkeur voor verhalen waar ik verwonderd uit kom, omdat er zoveel lagen in zaten dat ik er nog lang over na kan denken. Niet dat ik dat altijd doe. Meestal stap ik direct weer in een ander verhaal. Ik las buiten quarantainetijd een boek of drie per week, ik zal eens bijhouden of dat meer of minder wordt nu we heremieten tegen wil en dank zijn geworden.

Ik ga de komende tijd zo vaak als ik daar zin in heb met jullie delen welke boeken ik lees of gelezen heb. Ik heb geen idee of daar behoefte aan is, maar al kan ik er buiten mezelf maar één mens blij mee maken, dan is dat voldoende. Hell, dat ik er zelf blij van word al.

Een vrouw apart. En de stad- Vivian Gornick

Een boek dat mij meenam in het leven van een vrouw in New York. New York is hier bijna de hoofdpersoon; alles wat ze hoort en ziet beschrijft ze, zowel op straat als tijdens etentjes met vrienden. De moeizame verhouding met haar moeder sijpelt tussen alle vertellingen door. Een eenzaam maar toch gevuld bestaan.

Weersverwachting- Jenny Offill

Het is even wennen aan de telegramachtige schrijfstijl van Offill, maar eenmaal gewend begrijp je al lezende steeds beter wat hoofdpersoon Lizzie beweegt. Ze is een gewezen promovenda, werkzaam in een bibliotheek, en houdt zich bezig met haar persoonlijkheidsgestoorde en ex-verslaafde broer. Dit is niet goed voor haar huwelijk. Op verzoek van haar promotor gaat ze brieven beantwoorden van mensen die zich zorgen maken over de op handen zijnde apocalyps ten gevolge van klimaatveranderingen, en beseft steeds meer dat, welke overlevingsstrategieën ze ook bedenkt, deze weinig kans van slagen hebben.

Zondagskind- Judith Visser

Visser beschrijft hier haar eigen jeugd als kind met een ongediagnosticeerde vorm van autisme. Interessant om te lezen vanuit het perspectief van een meisje- autisme uit zich hier vaak anders, omdat meisjes zichzelf sociaal aangepast gedrag aanleren of vermijdingsgedrag gaan vertonen om te kunnen overleven. Wel een boek waar ik me doorheen moest worstelen vanwege de vele details die ik niet heel relevant vond.

Familiegeheimen- Astrid Holleeder

Vanwege het geïsoleerde leven dat Holleeder moet leiden begrijp ik dat ze zich nu vol op het schrijven heeft gestort. Niet geheel onverdienstelijk, maar het thema lijkt me nu wel uitgemolken. Desalniettemin gruwelijk dat je aldoor over je schouder moet kijken. Ze maakt goed voelbaar hoe het is om bang voor iemand te zijn, en toch nog veel van hem te houden.

Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar- Cindy Hoetmer

Hoetmer ken ik van haar leven als journalist; volgens mij heeft ze voor de Revu geschreven, wat ik ooit geweldig stoer en jaloersmakend vond (ik weet nu eigenlijk niet eens of de Revu nog bestaat, maar ooit verslond ik het wekelijks, toen Paul Blanca er nog voor fotografeerde en er spannende en wezenlijke stukken in stonden). Dit boek is geschreven vanuit het oogpunt dat de schrijver weinig meemaakt om over te schrijven, maar de gebeurtenissen die ze droogkomisch en onderkoeld beschrijft zijn zeer vermakelijk. Hoetmer spaart zichzelf niet en heeft geen pretenties. Verfrissend. Dat het zich in het Amsterdam van toen (en haar toen is ook mijn toen) en nu afspeelt maakt het voor mij als ex-Amsterdammer nog leuker.

Shrill. Notes from a loud woman- Lindy West

Nadat ik de gelijknamige serie op Hulu had gezien, heb ik alle boeken van Lindy West gekocht. West begon als journalist bij een wekelijkse krant, waar ze steeds meer over fatshaming ging schrijven toen dat nog niet gangbaar was. Ze werd erover verketterd op Twitter (waar anders), maar dit heeft haar niet tegengehouden, sterker nog, ze heeft een hele beweging in gang gebracht voor ‘fat acceptance’. Haar stukken zijn eye-openers voor mensen met en zonder overgewicht, omdat ze haar persoonlijke ervaringen als dikke vrouw in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen zet. Wat doen we elkaar eigenlijk aan in een samenleving waar we elkaar constant letterlijk en figuurlijk de maat nemen? Laat West doorschrijven, vooral zo lang ik nog met regelmaat opmerkingen hoor als ‘niet te geloven dat jij als kind zo dun was.’

‘En hoe gaat het met u, dokter Sachs?’- Lawrence Weschler

Sinds de film ‘Awakenings’ heb ik een belangstelling opgevat voor Oliver Sachs, en een aantal van zijn boeken gelezen. Dit is een soort van biografie over hem, maar niet helemaal- eerder losse notities, interviews met vrienden en gedachten opgetikt door een vriend van hem. Vriend is misschien een te zwaar beladen woord, aangezien Sachs behoorlijk neurotisch was en moeite had met intimiteit. Aan de andere kant reed hij motor, had veel seks en gebruikte drugs als een malle. Een fascinerende man, en een boek om in kleine stukjes te lezen vanwege de veelheid aan informatie, details en dropped names.

Opnieuw Olive- Elizabeth Strout

Ik houd van Olive Kitteridge, juist omdat ze een vrouw is waar je niet makkelijk van kunt houden. Ze is egoïstisch, onbehouwen en lijkt iets te hebben op het ASS spectrum, aangezien ze niet erg handig is op het gebied van communicatie. In al haar boertigheid brengt ze toch mensen bij elkaar, al dan niet onbedoeld. Strout beschrijft de kleine worstelingen van een ongewone vrouw knap.

Game of Zoons

Ineens, tijdens het zien van een scène uit Game of Thrones waarin Sansa smeekt om hulp omdat ze elke avond mishandeld wordt door haar kersverse, gestoorde echtgenoot, was ik het zat. Al die films en series waarin geweld tegen vrouwen wordt gebruikt. Waarin vernedering, neerbuigzaamheid, mishandeling, verkrachting, verachting van en naar vrouwen toe als een gegeven wordt gepresenteerd. Waarin ze figureren als mensen die alleen een functie hebben als seksueel object. Het gebeurt, en we denken ja, zo is het als je als vrouw alleen tussen de mannen leeft/ ‘s avonds alleen over straat loopt/met een dominante man trouwt/in die cultuur leeft/zulke kleding draagt. Ik vul het nu in, maar wat denken we eigenlijk als we zulke scènes zien? We accepteren het omdat het in de wereld waarin we leven ook gewoon is. De meeste mensen, ook ik, zien het als een gedramatiseerde representatie van de werkelijkheid.
Wat als we het zouden omdraaien? Als films en series vol zaten met mannen die mishandeld, verkracht, vernederd worden; series die draaien om angstige mannen die gedomineerd worden door vrouwen, en behandeld worden als tweederangs burgers. Er is vast een markt voor, maar dat bedoel ik niet. Draai het beeld eens om dat bestaat van mannen en vrouwen en zie hoe absurd het is hoe vrouwen worden uitgebeeld, en hoe er dankbaar gebruik wordt gemaakt van de stereotyperingen van het vrouw-zijn.
Begrijp me niet verkeerd, ik kijk graag naar Games Of Thrones, waarin ook sterke en onafhankelijke vrouwen hun opwachting maken. (Alhoewel; als ze dat zijn, zoals de vrouwelijke ridder, dan zijn ze meteen heel groot en mannelijk..)
Maar af en toe, zoals gisteren, bij de zoveelste gewelddadige of vernederende scène, grijpt het me naar de strot. Alwéér een vrouw in de slachtofferrol. Een vrouw die een man moet afweren en smeekt om genade.
Je bent een kop groter! Ram ‘m op zijn harses, gooi hem het raam uit, wilde ik gisteren tegen de televisie schreeuwen. Ik schreeuw doorgaans niet tegen televisiepersonages, dus ik hield me in. En Sansa draaide zich huilend om en stond toe dat ze bestegen werd door een gevaarlijke idioot.
Het is drama dat we blijkbaar graag zien, hoe raar dat ook klinkt, en waarvan we denken dat het allemaal uit de fantasie van een script-team is ontsproten. Maar soms wordt me pijnlijk duidelijk hoe ogenschijnlijk fictief drama voor veel vrouwen in de wereld dagelijkse kost is. Ik merk steeds vaker dat ik er niet naar wil kijken, omdat het me woedend maakt.
Gelukkig heb ik een enorme stapel boeken op mijn nachtkastje. Geschreven door sterke, onafhankelijke vrouwen, ook dat nog.

*Sorry voor de verhaspeling, ik kon het niet laten

Neighbours, everybody needs good neighbours

Een van de aspecten die mij minder aantrekkelijk leken aan het Oosterwoldtraject was het moeten samenwerken met buren die je nog niet hebt. Ik ben niet zo van het ‘samen’. Wel in klein verband en met mensen die ik zelf heb uitgekozen, maar niet als het het aangaan van verplichtingen met vreemden betreft. Het commune-achtige wat Oosterwold aanvankelijk voor mij uitstraalde, en waarover ik las op diverse blogs, schrok me echt af. Samen boompjes planten, wegen aanleggen, oeverloos vergaderen en borrelen leek me afschuwelijk. En daaruit voortvloeiend was mijn gedachte: als dit de kern is van wonen in Oosterwold heb ik er niets te zoeken.

De eerste ontmoeting met de toekomstige buren was tijdens het intekenen van onze kavels op het stadhuis van Almere. Gelukkig zaten daar hele gewone, niet-commune-achtige mensen, van allerlei culturen en afkomst en uit alle sociale lagen van de bevolking. Demografisch ook zeer interessant, want als je naar zo’n groep kijkt is er geen peil op te trekken: blijkbaar interesseert het realiseren van een vrijstaande woning op een lapje grond mensen van allerlei pluimage met zowel kleine als grote budgetten. Dat laatste vind ik er zelf het leukst aan. Ook als je alleenstaand bent en een kleinere beurs hebt, kun je een kavel  kopen en er bijvoorbeeld een tiny house op zetten. Omdat je landbouwgrond koopt, blijft het ondanks de prijsverhoging nog steeds te doen.

Met buren die je nog niet hebt vorm je natuurlijk niet meteen een groep, ondanks het grote gemeenschappelijke doel. Na een voorzichtige uitwisseling van gegevens werd er in ons geval eerst een appgroep uit de grond gestampt. Een dynamisch gebeuren omdat er nog wel eens aan kaveltje-wissel wordt gedaan en je ineens nieuwe buren blijkt te hebben. Ook zijn er in zo’n groep de usual suspects die actief zijn met regelen en reageren en mensen die het wat meer op zijn beloop laten, of al in genoeg appgroepen zitten en niet veel energie hebben voor weer een nieuwe. Daarnaast leer je ook dat niet iedereen even veel haast heeft met bouwen, en je dus zelf soms een kar zult moeten trekken om iets voor elkaar te krijgen. Samen met een aantal anderen is ondergetekende daarom op een gegeven moment begonnen met het bij elkaar krijgen van de groep om het over een kavelweg te hebben. De grond voor een kavelweg moet namelijk eerst collectief gekocht zijn voordat je de bouwgrond mag kopen. En wij, als in de echtgenoot, de zoon en ik, hebben haast. We zitten nu 4 maanden in een tijdelijke woning en kunnen niet wachten om richting Oosterwold te gaan, zeker ook omdat we vanaf september allemaal werken dan wel leren in die omgeving en hier helemaal niets meer te zoeken hebben. Nóg een tussentijdse verhuizing lijkt me niet gezond, en dus zetten we alles in op bouwen in augustus.

Een groep bij elkaar krijgen is nog een hele klus; wat zeg ik, een dagtaak. Maar uiteindelijk lukte het en hebben we tot alle tevredenheid gestemd voor het aansluiten bij een bestaande kavelwegvereniging, die positief lijkt over onze aansluiting. Wat mooi is, is dat er vervolgens allerlei initiatieven uit deze bijeenkomsten rollen en er ‘taskforces’ gevormd worden die zaken voor elkaar krijgen. Ook trekken we samen op als er onderzoeksrapporten moeten komen van bodem, slagschaduw, geluidsoverlast, etcetera. Dat is niet alleen een prettig gevoel (samen doen is stiekem toch wel leuk) maar drukt ook de kosten. Inmiddels is er tussen iedereen prettig contact in de appgroep, waar we het zakelijk proberen te houden, maar ook uitwisselen hoever we zijn en welke honden en katten we allemaal gaan tegenkomen in de straat. Het zorgt voor de broodnodige cohesie.

Al met al kijk ik uit naar de volgende vorderingen, maar ook naar de Nieuwjaarsreceptie die we gaan houden met alle buren die hebben ingetekend in ons kavelweggebied. We zijn een beetje bekend met elkaar, helpen elkaar met informatie en dat alles zonder de wens een commune te vormen. Ik kan me er wel in vinden, en dat verbaast mij, met mijn weerzin tegen groepen, in dit hele traject misschien nog wel het meest.

Oosterwold, een droom of een nachtmerrie?

Twee jaar geleden kwam J. met een idee. Zou het wat zijn als we een kavel kochten in Oosterwold, een nieuw project van de gemeente Almere? Waar je landbouwgrond kunt kopen en vervolgens projectontwikkelaar van je eigen grond wordt. Waar je zelf een weg moet aanleggen met de buren en de kavel bouwklaar laat maken, waar je vrij kunt wonen, en dat alles zo duurzaam mogelijk. Duurzaam is een modewoord, maar in Oosterwold is het echt een regel- je dient aan stadslandbouw te doen en je huis en tuin zo ecologisch mogelijk te bouwen dan wel aan te leggen. Zonder gas, zonder riolering, en, hoera, ook zonder welstandscommissie. Mits je bouwsel aan bouwtechnische regels voldoet mag je er alles neerzetten wat je wilt.
Ik wist het niet zo goed. Twijfelde aan het zelf doen. Tot ik rondliep in Oosterwold en zag dat inderdaad alles mogelijk is. Glazen appartementen, torens, tiny houses, ronde hutten, Hobbitwoningen, alles in alle kleuren staat in deze wijk. Het zag er zo eclectisch uit, zo regelloos en vrij, dat ik ter plekke overstag ging.

En nu hebben we naast onze drukke banen een extra baan: Oosterwold. We vergaderen met onze toekomstige buren en kavelwegvereniging, vragen vergunningen aan, maken ontwikkelplannen, laten rapporten maken. Je kunt het zo gek niet bedenken of er moet een rapport van komen: een ecologisch rapport, een bodemonderzoek, een slagschaduwonderzoek. Onze inspanningen werden afgelopen week beloond met het tekenen van een anterieurovereenkomst. We zijn nu min of meer grondeigenaar. En gaan vol in de volgende fase, namelijk het aanvragen van een omgevingsvergunning. En het aansluiten bij een kavelwegvereniging. Want zonder weg mag je niet bouwen, dus die moet eerst.

Ondertussen hebben we ons huis verkocht en wonen tijdelijk in een huurwoning. Onze zoon doet eindexamen en daarom blijven we tot die tijd in het noorden. We hebben al wel van alles naar de Randstad verplaatst, zoals onze banen. Ik rijd vier keer per week op en neer naar ‘t Gooi en Amsterdam, waar ik een geweldige baan als adviseur heb gevonden. Het leven is hectisch, het is druk, en ‘s avonds op de bank vraag ik me wel eens af of we het juiste doen. Eens per maand waag ik er zelfs een paar hormonale tranen aan. Maar we zitten er middenin en elke stap is een stap verder, dus we zetten steeds maar weer die ene voet voor de andere. Terug lopen is geen optie.

Omdat ik het een bijzonder project vind wil ik vanaf nu delen hoe het gaat met onze droom slash nachtmerrie. Om zelf nog eens na te lezen als we er later, in onze ecologische tuin, op terugkijken. Er voorzichtig om durven te lachen. Maar ook omdat ik het leuk vind om het verhaal te delen, en de zin in schrijven weer terug is. Voor zo lang het duurt natuurlijk.

Verkoopklaar

Bij elke klus die we doen in huis ben ik vervuld van de gedachte dat we hier weggaan. We maken het huis ‘verkoopklaar’ zoals dat heet; we maken het leeg, netjes, witten muren en vervangen zelfs een vloer. Opdat het de toekomstige koper moge behagen, die het wil zien alsof het niet bewoond is. Of maar een klein beetje. We wissen onze sporen. Het huis moet weer helemaal van zichzelf worden, met ons erin rondsluipend als ongenode gasten. Ik vind dat niet moeilijk. Ik ben zelfs heel goed in dingen achter me laten en opnieuw beginnen. Afscheid heb ik al genomen; ik heb het huis bedankt voor alle fijne jaren, en ook voor de minder fijne jaren, want het huis is stille getuige geweest van alles.

Maar nu, verf erover, dozen vullen, we trekken ons langzaam terug, de gedachten vol van wolkenluchten elders. Elders, waar het gras niet groener is, maar wel dichter bij thuis.

Kamperen- 12 nachten op een luchtbed en andere zaken

Kamperen?

Zelf had ik er ook wat vragen bij, toen steeds duidelijker werd dat we zouden gaan kamperen dit jaar. Want kamperen en ik, dat is door de jaren heen niet een heel gelukkige combinatie gebleken. Glamping, dat kan ik wel. Met een goed bed, iets wat op een keuken lijkt en een eigen wc en douche kom ik vakantiedagen heel goed door. Maar in een tent op een luchtbed slapen, koken op een gasstel met twee pitjes, en slechts gescheiden door dunne wandjes met andere mensen in één ruimte moeten poepen, daar wordt mijn hart niet warm van.
Toch gingen we precies dat doen. Waarom? Onze zoon houdt van campings en maakt er altijd vrienden. We hebben een hele mooie Stormvogel tent, die moesten we toch ook weer eens gebruiken. Lekker buiten leven is fijn. Dus ach, waarom zouden we het niet proberen?
Daar kwamen mijn vragen. Nou, misschien omdat ik niet goed slaap op luchtbedden? Daar had d’echtgenoot een oplossing voor: hij bestelde een extra lang tweepersoonsgeval, daar moest het op gaan lukken. En dat poepen en piesen in gemeenschappelijke ruimtes dan, en douchen in cabines waar andermans haren in het putje en aan de muren kleven? Daar was een andere oplossing voor: naar Duitsland op vakantie gaan. Het Duitse sanitair staat bekend om zijn hygiëne. Echt waar. Ga langs de Duitse snelweg maar eens naar wc. In Nederland hang je kokhalzend boven de bril, maar bij onze oosterburen kun je er fluitend op gaan zitten, zo schoon. Dus daar zouden ik en mijn smetvrees mogelijk uit kunnen komen. Zo makkelijk was ik om te praten. We gingen.

Tent

Een tent opzetten is leuk als je een beetje ruimtelijk inzicht hebt en ziet welke buizen waar moeten en waar de ingang zit. Ik word in dit soort situaties gebombardeerd tot hulpkabouter, want ik zie het niet. Mij moet je bevelen geven. Ik zie een berg onderdelen waar ik lichtelijk van in paniek raak. Stokken vasthouden kan ik en haringen in de grond slaan ook, maar meer moet je van mij niet verwachten. Gelukkig hebben we een verbouwing overleefd, dus ons huwelijk doorstaat ook het opzetten van een tent wel.
Erin slapen was een behoorlijke aanslag op mijn gestel. Mijn rug vond het extra lange grote luchtbed ook niet leuk (een luchtbed blijft een luchtbed), zodat ik er na een paar uur kermend vanaf rolde en dan maar vast naar het nog lege toiletgebouw liep om daar te genieten van het feit dat ik in  mijn eentje kon plassen, zonder steunende en puffende mensen om me heen of het geluid van plonzende drollen. Gek genoeg bedierf het slechte slapen mijn humeur totaal niet. Misschien omdat ik wist dat het tijdelijk was, en er weer een mooie dag aan zat te komen. Want die hadden we.

Mooie dagen

Dat Zuid-Duitsland mooi was wist ik, maar dat het prachtige azuurblauwe meren had niet. Een enorm meer met zo’n kleur zien opdoemen uit de verte voelt als een kadootje, zeker als je, eenmaal dichterbij, ziet hoe weinig mensen er zijn. Op sommige dagen hadden we een privéplek aan het water en kreeg ik, met de hete temperaturen erbij, bijna een Blue Lagoon gevoel.
Het lome zwemmen, slapen op een meegebracht dekentje, picknicken met vers brood en fruit en lezen  waren perfecte bezigheden om op te ontspannen. Sowieso heb je pas echt vakantie als je enige inspannende gedachtes gaan over wat je gaat eten en wat je wilt doen die dag. Werk, huishouden, prikkels, rekeningen zijn ver weg en dat is alsof je je hersens in een hangmat legt. Hier, ga maar liggen en een beetje schommelen in de wind.
Zoals hierboven zou ik al mijn vrije dagen door kunnen brengen, maar mijn reisgenoten denken daar iets anders over. Dus werd er ook geklommen, gevaren, gefietst en een brug bezocht, en in totaal hebben we in 8 meren gezwommen. Qua activiteitenradius niet verkeerd, en ‘s avonds bleef er genoeg tijd over voor een spelletje en een boek. En dan weer op dat vermaledijde luchtbed rollen, helaas. En eerst nog naar dat toiletgebouw, om gezellig met zijn allen op de wc te zitten.

Eten

Koken op een tweepitsgasstel op de grond is nogal een uitdaging, maar daar houdt d’echtgenoot wel van. En dus kwamen de lekkerste curry’s en pasta’s uit de meegebrachte minipannetjes. Een bak sla is ook zo gemaakt en we hadden een koelkastje bij ons, zodat we een en ander konden bewaren. Tel daar dat heerlijke Duitse brood bij op, dat vult als een baksteen zodat je de lunch kunt overslaan, en je dagen zijn culinair gezien helemaal rond. Op een hongerige puber na, die we af en toe moesten bijvoeden met curryworsten en ander Duits lekkers, maar dat was geen probleem.

Winkels

Mag ik hier nog even een lans breken voor Duitse supermarkten? Niet dat ik de hoorn des overvloeds wil promoten, want eigenlijk is het absurd wat wij in dit deel van de wereld allemaal kunnen kopen. Het gaat me meer om het biologische aspect- bio eten, makeup, cosmetica zijn in Duitsland grosso modo te krijgen in de doodnormale supermarkten. Biologisch inkopen is daar veel meer geïntegreerd en veel goedkoper, met als hoogtepunt gratis veganistische eetmagazines bij de kassa.
Ik heb wat betreft cosmetica biologische shampoos, douchecremes en makeup ingeslagen en niet alleen zit er niet eens een rokend gat in mijn portemonnee, ik voel me ook een iets beter mens.

De camping

Een camping is een eigenaardig fenomeen. Men neme een stuk grond, pleure daar een toiletgebouw en een receptie op en vervolgens mag alles en iedereen erop komen staan, met caravans, tenten en campers. Op elk tegeltje land ontstaan mini-biotoopjes, met complete voortentkeukens, wasrekken met wapperende bonte was, opblaaseenhoorns en opgestapelde kratten. Uit campers komen schotels tevoorschijn, want er moet wel televisie gekeken worden, en elke ochtend en avond zie je stoeten mensen met hun afwasemmers richting de wasruimte gaan. Op de camping gaat het gewone leven door: er wordt op vaste tijdstippen gegeten en afgewassen, en om 20.00 gaat de tv aan.
Tegelijkertijd nemen we het niet zo nauw met dingen die we thuis wel belangrijk vinden: ik stond met mijn keurige teiltje tussen mensen die hun afwas in de wasbak deden waar net een ander zijn jus had staan wegspoelen, en ik heb mensen horen kreunen en steunen tijdens het poepen die echt wel wisten dat ik ernaast zat. Blijkbaar is dat allemaal OK op de camping. Of de meeste mensen die gaan kamperen zijn gewoon neurose- en smetvreesvrij, dat is ook mogelijk.
Ik merkte zelf dat ik het prima vond om 5 dagen lang in dezelfde jurk te lopen, geen makeup op te doen en mijn haar elke dag zonder borstelen in een speld op te bergen. Onder die jurk had ik dan ook nog eens dagenlang mijn badpak aan, want we gingen toch elke dag zwemmen. Hoera voor het vervagen van gewoontes en normen op kledinggebied.
Overigens heb ik nog nooit in mijn leven zoveel mensen begroet als hier. Werkelijk elke Duitser die je tegenkomt onderweg van je tent naar elders, zegt ‘morgen of ‘abend tegen je. Nederlanders herken je doordat ze meters voordat ze je moeten gaan begroeten al opzij kijken en hun ogen neerslaan als ze je passeren. Lafbekken. Ik heb vrolijk meegedaan aan het Duitse begroetingsritueel, omdat ik het zo vriendelijk en opbeurend vond. We zouden elkaar vaker moeten begroeten in de wereld.

Kamperen

Op dag 13 rolde ik weer eens van mijn martelbed af en dacht: dit was de laatste nacht. Ik had er genoeg van. Het was 6.30 ‘s ochtends en nadat ik mijn bezoekje aan het toiletgebouw had afgerond, las ik het weerbericht: onweer, zwaar weer en regen tot diep in de nacht. D’echtgenoot had ook geen zin de dag daarna een natte tent op te vouwen en aldus was snel besloten: we gaan.
Dat het niet heel intelligent is om op het warmste moment van de dag twee tenten op te breken en in te pakken wisten we, maar we hebben het gered, liters zwetend. Daarna begon de reis die eindigde in een hoofdstuk uit een Stephen King boek. We moesten een wegopbreking omzeilen, belandden na een storm op het Duitse platteland, hebben uren in het donker over hobbelige, met takken bezaaide landweggetjes gereden en stonden uiteindelijk zelfs op een voetbalveld. Ik heb de snelweg bijna gekust toen we er weer op terecht kwamen. We kwamen uren later thuis dan we hadden gepland en ik ben, twee dagen na dato, nog steeds aan het bijslapen.
Weer kamperen? Ik dacht het niet. De tent staat te koop en we hebben een compromis bedacht: een lichtere, modernere tent kopen, de volgende keer korter kamperen, en dit combineren met een huisje of een iets comfortabeler manier van vakantie vieren. Stiekem denk ik dat het van vakantie vieren voorlopig niet komt, omdat we ons huis over een paar weken te koop zetten en een ander gaan bouwen.
Maar dat zien we nog wel. Eerst bijkomen van deze vakantie.

Wat las ik 5

Mijn e-reader, opgestuurd naar de reparateur, raakte zoek in de post. Misschien zit ergens een postbode van de boeken van Anton Valens te smullen, je weet het niet. Kwijt kan zoiets niet zijn, toch? Het is als de tweede sok in de wasmachine: hij is er wel, maar waar verstopt?

Bol zorgde voor het terugbetalen van mijn aanschafkosten, en ik kocht mijn oude ogen een wat grotere e-reader, waar ik nu dagelijks van geniet. Geen stapel zware boeken mee hoeven nemen naar mijn tent straks, en geen vreselijke Konsalik romans hoeven kopen, of derderangs detectives bij een sigarenboer omdat ik al mijn boeken al uit heb- e-readers zijn een zegen voor vakantiegangers. Wat las ik de afgelopen maand?

Neerslag van een huwelijk- Mensje van Keulen

Een dagboek van van Keulen zelf, neergepend tussen 1977-1979, waarin duidelijk wordt dat haar relatie met ‘Lon’ na 10 jaar kapot gaat omdat Lon verliefd wordt op een ander. Van Keulen begeeft zich in een intellectueel milieu waarin vrije seks gangbaar is, en zij en Lon proberen dit ook uit, maar worden er ongelukkig, gewelddadig, drankzuchtig en fatalistisch van. Ergens aan het eind wordt er een zoon geboren, van wie ik hoop dat hij een beetje stabiel heeft mogen opgroeien in deze krankzinnige omgeving. Er komen ook talloze bekende namen in dit dagboek voorbij, waardoor het extra levendig is om te lezen en je wordt teruggeworpen in de tijd (Bibeb, Theo Sontrop, Loesberg, Biesheuvel, ‘t Hart). Ik werd gek van de vergevingsgezindheid van de schrijfster, ze gaat zelfs een trio aan met haar rivale omdat Lon het wil; ik had hem met kop en kont het raam uit gesmeten bij dit voorstel, en waarschijnlijk halverwege het boek al. Van Keulen schrijft haar dagboek wel zo eloquent dat ik ook Bleeker’s zomer, haar debuut, heb gedownload en erin ben begonnen. Geschreven in 1972, en tijdloos goed.

Dit doet even pijn- Adam Kay

Een Britse dokter in opleiding beschrijft zijn dagen in de ziekenhuizen van de NHS. Waanzinnig lange werkuren, even ontroerende en idiote situaties met patiënten en collega’s. Herkenbaar voor iedereen, of je nu werkt in de gezondheidszorg of patiënt bent (geweest) en flitsend geschreven, niet zoals je verwacht van een arts. Kay is nu geen dokter meer maar scenarioschrijver, dat laatste begrijp ik volkomen gezien zijn humoristische en fantastisch onderkoelde schrijfstijl. Het eerste begrijp je aan het eind van het boek en ik zal hier geen spoiler geven, natuurlijk. Maar het heeft te maken met het militaire regime van de NHS ziekenhuizen en als dit niet zo’n grappig boek was, zou je het ook kunnen lezen als aanklacht tegen dat systeem.

De avond is ongemak- Marieke Lucas Reineveld

Beklemmend romandebuut (Reineveld publiceerde eerder dichtbundels) over een jeugd in een hedendaags gelovig boerengezin. Als de oudste zoon verdrinkt, zakken de ouders weg in een moeras van verdriet, wat zij uiten in onverschilligheid richting de overgebleven kinderen, die ze lijken te beschouwen als de kalveren in hun stal. De hoofdpersoon drijft weg in een fantasiewereld en houdt haar jas voortdurend aan om zich te beschermen tegen de buitenwereld. Ik werd af en toe hoorndol van de vele snotjes en kontgaatjes die voorbijkomen in dit boek, maar de sfeer is heel treffend beschreven- je ruikt de koeienstront, de spruitjes, de muffigheid en voelt de bekrompenheid waarvan je denkt dat die medio jaren ’90 eigenlijk niet meer bestond. Mooi wel. Of eigenlijk niet.

Wees onzichtbaar- Murat Isik

Terecht bejubeld boek. Isik neemt je mee naar zijn jeugd in de Bijlmer, waar hij, zijn moeder en zus zuchten onder de terreur van zijn vader, een zelfbenoemd intellectueel die zichzelf belangrijker vindt dan zijn gezin. Ondertussen moet Isik het ook buiten en op school zien te redden. Omdat hij Turks is, en stil, wordt hij al snel ‘de schoonmaker’ genoemd door irritante klasgenoten die ook nog eens gewelddadig blijken. Isik ontwikkelt zich als een sterke persoonlijkheid, vastbesloten zich aan zijn vader en deze omgeving te ontworstelen, maar zeer trouw en liefdevol naar zijn moeder die hem in alles steunt.

De interessanten- Meg Wolitzer

Wat lees ik veel boeken over jeugden (zeg je dat zo?). Onwillekeurige research voor mijn eigen manuscripten, misschien, die (zucht) over een jeugd en adolescentie gaan. Wolitzer beschrijft hoe een vriendengroep tot stand komt tijdens een zomerkamp. De vrienden zijn voorbestemd iets bijzonders te worden, vinden zijzelf en ook hun ouders, allemaal vanuit andere achtergronden en afkomsten. De klassenverschillen tussen de vrienden blijven bestaan, knap hoe Wolitzer duidelijk maakt dat hoe de vrienden de verschillen ook weg willen poetsen, dit niet lukt. Je afkomst zit geëtst in je ziel, lijkt ze te willen zeggen, en schijnt overal doorheen. Mooi hoe Wolitzer levens verweeft en van alle verhalen één maakt. Ik las ook De ontkoppeling van Wolitzer, deze neem ik volgende keer mee.

Berichten uit het tussenhuisje–Henk van Straten 

Geen jeugd in dit boek, wel het verhaal van de schrijver over wat er na zijn scheiding met hem gebeurt. Ik had steeds het idee een dagboek te lezen dat van Straten echter ‘verliterairt’ door afstand te nemen van wat hij schrijft. Hierdoor blijven alle gebeurtenissen aan de oppervlakte en kom ik er als lezer niet in- nergens lees ik echte emotie, het gaat vooral over vluchtgedrag en overal rakelings langs scheren zonder de bodem te willen raken. Van Straten wil graag mooi schrijven, dat doet hij ook want dat kan deze man, maar mooie zinnen en observaties zijn niet genoeg om hiervan een boek te maken dat je ademloos achterlaat. Dat hij zelf voortdurend het centrum van de aandacht is vond ik storend en claustrofobisch.

Verder las ik in het kader van verstrooiing: Gisteren liep ze nog van Maarten Spanjer (heerlijk oubollige anekdotes uit de Nederlandse entertainment industrie), De buitenstaander van Stephen King (een echte King- inmiddels in deze tijd wat ouderwets aandoende spanningsopbouw, maar oerdegelijk thrilleramusement) en De val van Annika S. van Simons & van der Zijl (wat onwaarschijnlijk verhaal over een gevallen politica die in een drugsverhaal verzeild raakt.)

Nog bezig in: De uitvreter van Nescio en Slachthuis 5 van Vonnegut. Vraagt wat meer aanpassing van mijn hersens door het archaïsch taalgebruik in het eerste boek en het absurdistisch aspect in het tweede, dus doe ik langer over, zoals je een goede wijn ook langzaam dient te drinken. Ik ben echter meer van het snel achterover gieten, dus hoop dat ik het geduld kan opbrengen om ze uit te lezen.