L’enfer

Mijn eerste zorgopleiding deed ik in een joods verpleeghuis. Vier dagen per week werken, één dag in de week naar school. Niks snuffelstage, niks wennen. Ineens was ik daar, op een afdeling voor zwaar dementerende mensen, waar het naar urine rook, waar zij hologig door de gangen schoven, mager, gerimpeld, met luiers aan, met blauw geworden concentratiekampnummers op hun armen.
De eerste weken dacht ik elke dag: ik blijf hier niet. Het is hier eng. Het stinkt. Ik vind het zo zielig.
Dat laatste bleef ik denken. Maar aan de geur wende ik. Na een poosje leerde ik de bewoners kennen, die niet eng waren, maar wel te grazen genomen door het leven. De nummers op hun armen een blijvend bewijs van de hel die ze hadden doorgemaakt. Het schuifelen door een verpleeghuisgang hun huidige hel. Mijn hoofd kon het niet goed rijmen. Hoe konden we mensen die zoveel hadden meegemaakt, hun leven laten eindigen op een kamer voor vier, met slechts een bed, een nachtkastje en wat foto’s aan de muur? Mensen, zoals ik het nu zie, met dementie en PTSS, die gruwelijk konden gillen en huilen als ze hun kampjaren herbeleefden, of hun jeugd, die gekenmerkt was door het verliezen van ouders, kinderen, geliefden.
Ik was jong, en probeerde het te begrijpen, maar het was zoveel om te begrijpen en te voelen. En ondertussen moest ik hen wassen, aankleden, eten geven, uit de poep halen, medicijnen geven. Bij de deur weghalen als ze naar huis wilden. Op dokters’ orders achter een tafelblad zetten als ze zich aan het doodlopen waren. Waarop ze ‘kapo!’ sisten en ik ging huilen in de wc, omdat ik me nooit had voorgesteld dat ik mensen die zo oud en kwetsbaar waren hun vrijheid zou moeten benemen.
De trauma’s zag je terug bij hun nakomelingen. Er kwamen familieleden op bezoek die puissant rijk waren, maar toch vroegen of ze restjes eten uit de koelkast mee mochten nemen. Er was een dochter die elke dag, 7 dagen in de week, de hele dag bij haar moeder bleef, die nergens op reageerde. ‘We hebben samen in het kamp gezeten, door haar leef ik nog. Nu zorg ik voor haar.’
Er waren bewoners die eten uit de kasten stalen en in hun hemd verstopten. Er waren bewoners die zo moesten huilen van de foto’s aan hun eigen muur, omdat iedereen daarop vergast was, dat we de foto’s weghaalden.
Het was zo rauw, dat ik de herinneringen haarscherp op mijn harde schijf heb staan. Ik kan me van de eerste twee afdelingen waar ik stage gelopen heb nog elke bewoner voor de geest halen. Ik herinner me ook wat een machteloos gevoel het soms gaf. Dat ik, bleue adolescent, me nog niet een schijntje van de impact kon voorstellen die oorlog en vernietigingskampen op deze mensen had gehad.
Pas later begreep ik ook wat deze oorlog met mijn eigen familie had gedaan- levens in de knop gebroken.
De Tweede Wereldoorlog raakt steeds verder weg, en dat is, in het licht van alle huidige oorlogen in de wereld die aandacht behoeven, misschien ook logisch. De mensen die het meegemaakt hebben worden schaarser in aantal, herinneringen worden overleveringen. Elk jaar gaan er meer stemmen op die zeggen dat Dodenherdenking en Bevrijdingsdag afgeschaft moeten worden. Dat zal wellicht ook gaan gebeuren in de toekomst.
Bij mij krijg je 4 en 5 mei er niet meer uit, net zoals Koningsdag er nooit meer goed in zal slijpen- daarvoor heb ik te vaak Koninginnedag gevierd.
Vandaag herdenk ik de mensen die gestorven zijn in een zinloze oorlog, zoals er ook vandaag en morgen zovelen zijn.
Morgen denk ik aan de mensen die bevrijd werden na vijf jaar hel op aarde. En elk jaar denk ik even aan ‘mijn’ bewoners, aan nummers op armen en kamertjes met een bed en een nachtkastje. Aan een hel die soms niet stopt, een leven lang niet.

2 gedachten over “L’enfer”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *