Dreamings

We zijn verhuisd, maar ik heb nog geen totems. Geen herkenningspunten, geen vaste loopjes of ritjes, geen gewoontes ontwikkeld die aan deze omgeving zijn verbonden. In Australië geloven Aboriginals dat hun omgeving in de Droomtijd bij elkaar is gezongen, en dat elk plantje, elke boom, elke steen hier een plaats in heeft. In liederen wordt de kennis hierover overgedragen van generatie op generatie.
Ik mis de liederen. Ik droom nog niet over waar ik woon; in dromen woon ik nog elders, of zwerf ik rond.
Zonder pandemie was ik meer verankerd geweest, in de grond, in mijn leven hier. Nu bezoek bij vrienden en familie beperkt blijft, we de boodschappen laten bezorgen, sporten in teamverband niet mogelijk is en de sjeu, of de jus van het leven, hoe je het ook noemen wilt, ver te zoeken is, voelt het alsof we hier rondzweven. Nergens aan verbonden nog, behalve aan elkaar.

Aan elkaar! Elkaar is belangrijker dan ooit. We leven 24 uur per dag samen in dit kleine tijdelijke huisje, waar we werken, studeren en wonen. Alles moet hier op deze beperkte vierkante meters gebeuren. Het gaat wonderwel, met een kleine uitbarsting of irritatie her en der. Omdat we tegen het wasrek aan lopen, dat in de woonkamer staat of achter een bureaustoel. Omdat we allemaal tegelijk iets buiten moeten en niet samen in de gang passen om onze jassen aan te doen. Het is futiel en zo weer weggewaaid. We proberen elkaar de ruimte te geven en het lukt. Ik ben de enige die er soms van moet huilen, de rest maakt het goed. Ik ben een verwend nest.

Vanuit de achterramen hebben we letterlijk uitzicht op de toekomst. In de verte, als we goed kijken, ontwaren we het stukje kavel waar we over een maand of vijf ons huis op laten zetten. Onze hoop kent nog een aantal mitsen en maren, maar die lijst wordt langzamerhand kleiner. Ik wist niet dat ik zo lang ergens kon leven op tijdelijke basis, zonder al te veel acht te slaan op alles om mij heen omdat ik niet wil aarden waar ik niet blijf. Door de vermoeidheid die nu toeslaat leer ik dat er een grens zit aan tijdelijkheid. Ik wil neerstrijken en voelen dat ik thuis ben.

Ik durf steeds vaker uit het raam te kijken, tussen de kale bomen door, en te dromen van het toekomstige huis. Waar ik wel zal wortelen en waar het de hele zomer kerst zal zijn, omdat we dan de dozen gaan uitpakken die al anderhalf jaar in de opslag staan. Een mens kan zonder spullen, maar ik weet nu al dat het een blijde hereniging wordt met mijn boeken, met keukengereedschap wat ik graag gebruik, met de persoonlijke dingen die ik bewust in een ver hoekje van mijn hart heb weggestopt omdat ik er niet bij kan.

We zullen doorgaan, zong Ramses Shaffy, ‘met de wijfelende zekerheid, om door te gaan in een sprakeloze tijd.’ We leven al een poos met gevaar in het achterhoofd, met beperkingen die moedeloos maken, en tegelijkertijd is het niets vergeleken met wat andere mensen in deze wereld moeten beleven. Ik ben steeds dankbaar als ik ‘s ochtends onder een warme douche sta, yoghurt in een kom kan schenken, de blossen op de wangen van mijn zoon zie als hij terugkomt van rijles. Daar verandert een pandemie niets aan. Ik probeer letterlijk en figuurlijk te leven op de millimeter, daar waar dingen nog fijn en van mij zijn. En heel soms huil ik om wat ik mis, maar niet te vaak.

4 gedachtes over “Dreamings”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *