Coronapost

Droom

Vannacht droomde ik dat ik longkanker had, in beide longen. Er was niets meer aan te doen. In de droom was ik soms in paniek, en soms berustend. Ik was ongerust over mijn gezin en dat ik ze zo vroeg al moest achterlaten. De vriend die ik lang geleden had en jong stierf kwam ook voorbij in de droom. Afgezien van de jaren na zijn dood heb ik nooit zo vaak aan hem teruggedacht als nu. Alles in het nieuws triggert herinneringen aan hem. Het IC-bed waar hij in lag na zijn spoedoperatie. De dokters die in en uit liepen. De apparaten rond zijn bed die bliepten en piepten. De zware stilte nadat die waren uitgezet. De stukjes lijm in zijn haar van het EEG-apparaat. De lucht van de Palmolive, waarmee we hem wasten na zijn dood, en die ik daarna niet meer kon verdragen.
Daarna droomde ik veel, en vaak. Dat doe ik nu weer.

In quarantaine

We zijn niet in quarantaine of zelf-isolatie. We werken thuis, de vierde week is net voorbij. Eind februari verbood ik mijn eega om met het openbaar vervoer te reizen, we gingen voortaan samen met de auto. Ik bestelde grote flessen handgel en mondkapjes. Ik heb geen vooruitziende blik, wel het brein van een verpleegkundige met een flinke dosis smetvrees erbij. De handgel ging in de auto, na elk bezoek aan een verpleeghuis waar ik werk waste ik mijn handen en goot voor de zekerheid wat ontsmettende gel over mijn handen.
‘Heb je geen corona?’ vroeg ik aan mijn moeder, die al weken aan het hoesten was en een kuurtje had gekregen van de huisarts. ‘Nee hoor,’ zei ze en kwam langs.
‘Ik denk dat ik toch corona heb gehad,’ zei ze gisteren tijdens het beeldbellen. ‘Wat ben je toch een eigenwijze babyboomer,’ zei ik. Dat kon ze gelukkig goed hebben.
Ik werd verkouden, met een loopneus. Ik ben in geen 25 jaar verkouden geweest en heb nooit griep. Wel darmvirussen, die vloeren mij soms letterlijk en figuurlijk. Deze loopneus was nieuw voor mij. Ik appte mijn broer, die op bezoek zou komen. ‘Oh nee, dan gaan we allemaal dood,’ appte hij terug, en kwam op bezoek met zijn gezin. We hadden een heel gezellige dag. Niemand is ziek geworden, ik hield twee weken lang een loopneus en een druk op mijn keel. De loopneus is overgelopen naar mijn man, die hem elke paar minuten ophaalt tot ik vraag of hij zijn neus wil snuiten. Dat doet hij. We werken samen in een ruimte. Het is geven en nemen.

Introvert

Ik ben een introvert die uitstekend overweg kan met een beperkte leefruimte. Daar ben ik de afgelopen weken achter gekomen. Wat we missen weet ik niet precies, ik haal afspraken uit mijn agenda zonder er al te veel bij stil te staan. We eten samen als gezin, wandelen of fietsen op vrije dagen, helpen onze zoon met zijn dagschema en werken. Er zijn geen ergernissen, behalve de gebruikelijke: de loopneus die opgehaald wordt, het nachtelijk gesnurk, het extreme uitslapen en uitstellen van de puber en de vaste uitspraken die daarbij horen: ‘ja-ha’, ‘bijna, ‘ik doe het zo’ en ‘ik doe het straks.’
Hoe het zou gaan als ik geen gezin had durf ik niet te bedenken. Ik heb tien jaar alleen gewoond en dat ging me uitstekend af. Maar in een tijd als deze ben ik blij met de mensen die ik dicht bij me heb. Zij zijn alles wat ik nodig heb voor nu. Het nu is ook alles wat ik aan kan. Per dag leven was nog nooit zo makkelijk.

Het nieuws

Ineens keken we elke avond het acht-uur journaal. Ik had daarbij zenuwen alsof ik zelf voor een katheder moest staan. De regels die werden afgekondigd nam ik in stilte aan. We probeerden onze zoon uit te leggen wat er gebeurde. We hebben heel veel aan hem uitgelegd de afgelopen weken. Hij belichaamt de veerkracht die de jeugd kenmerkt: even verdrietig om het gala dat niet doorgaat, om de vrienden die hij al weken alleen online spreekt, het autoproject waar hij aan begonnen was en dat niet doorgaat, het eindexamen dat hij mist. Daarna pakt hij de draad weer op en leeft binnen de beperkingen die er zijn. In grote luxe, dat besef willen we hem bijbrengen. In een huis met een tuin, een warme douche, voldoende te eten en ouders die hem liefdevol op de huid zitten- ik begrijp wel waarom hij soms tijdens een wandeling een alternatieve route kiest en we hem bemodderd bij de voordeur treffen. Even alleen zijn met jezelf en de blauwe lucht en de slootjes en de ooievaars, die verschrikt opspringen omdat jij door hun wei banjert. Hij doet het goed. Ik zie steeds meer de volwassene in hem gloren die hij zal worden.

We kijken minder naar het nieuws. Ik schreef boze brieven naar columnisten, die meenden dat mensen met obesitas minder recht hebben op een IC-bed dan ‘mensen die gezond hebben geleefd.’ Alsof obesitas een keuze is, alsof iedere zwaarlijvige zich een weg vreet door frituur en liefst geen vinger optilt. Voor mij, een vrouw met overgewicht, maar wel een die tot in het najaar twee tot drie keer per week sloeproeide en zich naar de sportschool sleepte een persoonlijke belediging.
Ik lees kranten, maar kies selectief wat ik daarin lees. Ik kan geen cijfers of grafieken meer zien. Ik vermijd alles waar ‘doden’ of ‘sterven’ in staat. Aan de beurt komen we toch wel. Het zal me overkomen of niet. Ik kies voor humor, relativering, ethische vragen; voor strips en columns die geen vingertje heffen. Op Instagram kijk ik naar foto’s van de mensen die ik aardig vind en vermijd ik beroemdheden die wijsheden in de ether slingeren. Ik ben zuiniger geworden met mijn aandacht, die verstrooi ik niet.

Buiten

We doen eens per week boodschappen. Dat deden we al. Nu mijden we echter grote supermarkten en kiezen voor kleiner en dorpser. Het 1,5 meter spel dat zich buiten afspeelt is de samenleving in een notendop. Er zijn mensen die het navolgen, er zijn mensen die vinden dat ze een rebel zijn door schouderophalend vlak langs je te lopen. Ik zie ouderen in verwarring stokstijf in een winkel staan, niet wetend welke kant ze op moeten. Ik wacht zelf soms heel erg lang tot ik erlangs kan, zodat die afstand gewaarborgd wordt. Ik ontsmet alles wat ik heb aangeraakt. De boodschappen nog net niet, maar ik was wel mijn handen nadat ik ze heb uitgepakt. Alles is besmettelijk en veel maatregelen zijn een wassen neus, maar waar het precies begint en ophoudt weet ik niet.
Buiten lopen we waar weinig anderen komen. Dat kan hier in Drenthe. Hardlopers zijn degenen die vinden dat de ander opzij moet en tikken je soms aan in het voorbijgaan. Het voelt als in het zwembad, waar de snelzwemmers hun eigen baan opeisen.

De wandelaars zeggen elkaar gedag. Altijd met een serieuze, samenzweerderige knik. Alsof we weten wat we doen en waarom. Dat is niet zo, maar de knik naar elkaar werkt geruststellend. We zitten hier samen in. We bezweren het door te wandelen. De natuur kalmeert ons en heeft ons niet nodig. Alles bot uit, wordt groen, vliegt, dwarrelt en zweeft, bijgestaan door een lucht die blauwer is dan ooit. We proberen te genieten en het lukt.



3 gedachtes over “Coronapost”

  1. Zie helaas veel jongeren die er zich niets van aantrekken van 1.5 meter. Als ik mijn joggingrondje doe, ga ik helemaal naar 1 kant, maar soms ver het gras in omdat men gewoon naast elkaar blijft lopen. Tegenwoordig zeg ik er iets van!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *