Geen trompetgeschal

Meteen bij binnenkomst zie ik het: deze vrouw is blij. Blijmoedig is misschien het juiste woord. Het straalt uit al haar poriën, drukt zich uit in haar gebroken glimlach en in haar ogen, die je toe stralen. In mijn wereld zou er weinig animo zijn om je in haar toestand zo vrolijk te voelen. Ik heb niet de hoop dat een goddelijkheid mij in de armen sluit als ik het aardse verlaat. Hoop op redding door zo’n zelfde voorzienigheid koester ik evenmin. Wonderen dienen zich bij mij nooit aan, wel kansberekeningen en feitelijkheden. Ik moet het doen met het aardse leven. Daarna duisternis en het eeuwige, zalige niets. Mij wachten geen engelen en trompetgeschal.

Ik zie aan haar hoe goed het haar doet. Dat zij wéét dat het er voor haar wel is. Haar God en medegelovers geven haar die blijheid. Vertrouwen in dat het allemaal goed komt, wat het eindscenario ook wordt. Ze straalt warmte uit als een kacheltje en haar blik is constant liefdevol. Ik kan me voorstellen dat mensen graag en veel in haar nabijheid willen zijn. Dat ze willen hebben wat zij ook heeft: dat rotsvaste geloof. Ze is, in haar eigen stralende licht, een wandelend reclamezuiltje voor God.

Ik zie het, en weet: niet voor mij. Zij weet het ook. Het doet niets af aan het contact. Ik gun haar het licht en de engelen, en zij mij mijn feiten en kansberekeningen.

The perks of getting older

Eigenlijk merk ik het al sinds ik grijs ben: ik behoor tot een andere levenscategorie. Het maakt niet uit dat ik me 32 voel en soms nog steeds een kalf ben als het op gedrag aankomt, met grijs haar ben je oud. Of in elk geval niet meer jong.
Ik was al langer een ‘u’ en een ‘mevrouw’, maar met grijs haar ben je dat altijd. Nooit meer een ‘je’, alleen voor mensen die u zeggen niet in hun opvoeding hebben meegekregen; dank daarvoor, opvoeders.
Bij jonge mensen moet ik tegenwoordig eerst over een drempel heen voordat ik contact heb. Of eigenlijk moeten zij dat, ik heb nergens moeite mee. Zodra ze merken dat ik met grijs haar en een bril toch vrolijk, vriendelijk en enthousiast ben (lees: een kalf in vermomming) heb ik een ingang. Zoals een nieuwe, 20 jaar jongere collega vorig jaar tegen me zei: hee, je hebt humor. Dat was voor mij een redelijk OMG momentje. Ik vind namelijk zelf dat ik best veel humor heb. Ik maak overal een grap van om te vermijden dat ik te zwaar op de hand word (zelfkennis is trouwens een hele leuke bijvangst van ouder worden).
Een andere factor is onzichtbaarheid. Ik was al nooit een Doutzen, maar met grijs haar wordt het definitief. Op de een of andere manier ben je met deze haarkleur in het mandje ‘oninteressant’ beland.  Mensen kijken zelfs verstoord op als je je in een gesprek mengt of kenbaar maakt dat je aanwezig bent. Oma wil ook nog iets zeggen, in die trant. Het duurde heel lang voordat ik het begreep, omdat het plotselinge negeren niet in mijn systeem wilde landen. En ik zie mezelf uiteraard niet zoals de buitenwereld dat doet.
Aansluiting vinden is ook niet meer vanzelfsprekend. Ik kan heel leuk vertellen over mijn tien bandeloze jaren in Amsterdam, met seks ‘n drugs ‘n rock ‘n roll en nachtenlang dansen, maar het wordt een beetje sneu als je daarmee jonge mensen wilt imponeren. Wat me wel stoort is dat als ik er iets over vertel, iemand tegen mij zegt: ‘daar vind ik je geen type voor.’ Nee, met mijn dikke kont en bibliothecaressebril zie je me nu niet meer staan op een underground hardcore festival, dat begrijp ik wel. Maar zo zag ik er niet altijd uit, slik ik dan in. Iets verder kijken dan je neus lang is, je zou het veel mensen toewensen.

Ik begrijp heel goed dat mensen strijd voeren tegen het uiterlijk verval. Ik loop ook tegen beperkingen aan waar ik niet gelukkig van word. Maar mezelf op een cosmetische manier opleuken past niet bij wie ik ben. Ik word er zelfs een beetje koppig van- als iedereen het doet, doe ik het juist niet. Natuurlijk smeer ik ook met make-up, ga ik de deur niet uit als mijn mascara niet goed zit, ben ik dol op schoenen, gehecht aan mijn dure shampoo en mijn krullen. Ik sport me de moeder omdat ik zoals elk middelbaar mens denk dat ik daar strakker, jonger en gezonder van word, en hiermee mijn sterfelijkheid kan uitstellen.
IJdelheid is me niet vreemd. Maar verder dan dat gaat het niet. Mijn haar kleuren ziet er onnatuurlijk uit, mijn huid strak laten trekken vind ik geen optie. Je kunt verval uitstellen of omarmen. Ik omarm het, voorzichtig, en duw het soms nog even van me af om het beter te kunnen bekijken en te beslissen hoe ik ermee omga. En ondertussen werk ik aan het bestrijden van onzichtbaar zijn.
Met als resultaat dat ik toetreed tot het legioen ‘gekke oude vrouwen’, maar dat accepteer ik- het legioen ‘topmodellen’ zit er toch niet meer in.

Mijn eerste dag in het onderwijs

Onlangs deed ik mee aan een schrijfwedstrijd van Sterke School. Ik heb niks gewonnen, maar vind het leuk om mijn verhaal te delen:

Mijn eerste jaar als leraar was stiekem niet mijn eerste jaar. Ik had al in het volwassenenonderwijs gewerkt en besloot dat ik de lerarenopleiding wilde doen om in het regulier onderwijs terecht te kunnen. Een studiegenoot vroeg me als mede-mentor van een mbo niveau 2 klas en ik zei ja, blij met mijn eerste stage uren.

Daar stond ik dan, met mijn goed voorbereide kennismakingsles. Voor 27 meisjes die me van top tot teen opnamen en daarna besloten uit te proberen hoe lang het zou duren tot ik huilend het lokaal verliet. Ze gooiden met flesjes, schreeuwden door de klas en weigerden me aan te kijken als ik met ze praatte. Na deze eerste 1,5 uur was ik uitgeput en volledig van mijn a propos. Dit leek in niets op het volwassenenonderwijs.
Wat had ik ze te bieden?
Vertrouwen, besloot ik. Iemand die blijft, hoe bont ze het ook probeerden te maken. Iemand die grenzen stelt maar ondertussen vriendelijk blijft. Want vriendelijkheid, dat kenden ze niet zo goed, leerde ik stukje bij beetje. Complimenten ook niet. Ik wist niet dat er in zulke jonge levens al zoveel verdriet en narigheid bestond. Dat meisjes van 16 hun hele leven al moesten horen dat ze niks konden. En zo wezen veel van hen maar vast iedereen af die hen normaal benaderde, uit angst zelf afgewezen te worden.
Voorzichtig bouwden we een band op. Ik ging hen meer lessen geven. Werd trots op ze. Gaf grenzen aan. Ging met ze op stap. En stond op de playbackavond met alle meisjes op een podium, waar ze zonder aarzelen mijn hand pakten en met me dansten, de schaamte voorbij.
Twee jaar later deel ik hen met een dikke strot hun diploma uit. Ik ben gebleven. Zij zijn gebleven. Ze maakten mijn eerste week in het regulier onderwijs memorabel voor me. In die week besloot ik dat elke leerling een goede leraar verdient, en dat ik elke dag opnieuw voor dit besluit zou kiezen.

Boekenvoedsel

Dat je niet weet wat je hebt tot het er niet meer is, daar zong Joni Mitchell al eens over (en later Janet Jackson, waardoor ik überhaupt de muziek van mevrouw Mitchell leerde kennen). Dat het echt waar is ondervond ik toen mijn Kobo e-reader het begaf en ik daar welhaast een fysieke reactie op had. Het voelde als een rookverslaving die zich het ergst manifesteert als de sigaretten op zijn. Want: nu heb ik niets meer te lezen, oh god ik heb nu geen boek meer en nee he, ik was nog bezig in dat ene boek waren de gedachten die zich in sneltempo opvolgden in mijn hoofd, waarna er bijna een soort paniekgevoel ontstond. Bijna, want na ontdekt te hebben dat er garantie op de Kobo zat en ik in de tussentijd de Kobo app op mijn telefoon kon installeren was ik iets gerustgesteld.
Nu heb ik wel even aan mijn zoon uitgelegd dat ik niet de hele dag op mijn telefoon zit te turen, maar dat ik er mijn boeken op lees. Hij knikte cynisch ter kennisneming. Zelf zit hij bijna nooit op zijn telefoon, hij belt ermee tijdens het gamen. Dat is dan weer iets wat ik er nooit meer mee doe. Wij zijn overduidelijk van twee verschillende mobiele generaties.
Lezen op een mobiele telefoon valt niet mee; ondanks dat ik vind dat ik er iets goeds op doe, namelijk boeken lezen, voel ik me toch continu schuldig terwijl ik dat doe, omdat ik dan soms uren achter elkaar die telefoon voor mijn snufferd heb. Dat voelt als iets verbodens. De ambivalente verhouding met de smartphone ten top.

Wat las ik de afgelopen tijd op het geliefde kreng? Heel veel goeds. Dat is natuurlijk maar een mening, maar ik deel die toch graag, al is het maar om het lezen van boeken te promoten, of dat nu op een Kobo, een telefoon of in een old skool papieren exemplaar is. Ik wil dat maandelijks gaan doen hier- mijn leeslijstje delen. En ik hoor uiteraard graag tips om mijn eeuwige letterhonger mee te kunnen voeden. Komt ie:

Het boek Ont, Het compostcirculatieplan, Vis, Dweiloorlog en Meester in de hygiëne– Anton Valens. Anton Valens is schrijver, kunstenaar en werkt in de zorg. Met zijn boeken had ik hetzelfde als jaren geleden bij de ontdekking van de boeken van Bruce Chatwin: je kunt erin verdwalen, en wat fijn dat het niet bij een boek gebleven is. Valens is een begenadigd verteller die visueel ingestelde lezers op elke pagina bedient met schilderachtige taferelen, of hij het nu over verwaarloosde huishoudens en oude mensen heeft of het reilen en zeilen op een vissersboot. Bedenkt daarnaast zeer originele zaken, zoals een selfhelpclub van mannen die geen post durven openen.

Leerschool– Tara Westover. Autobiografisch verhaal van een meisje dat opgroeit in een streng Mormoons gezin, dat door de godsdienstwaanzin van de vader en de meegaandheid van moeder ten gronde wordt gericht. Vooral het verhaal dat zij vertelt als ze zich heeft losgemaakt trof me enorm; het is een gevecht om je staande te houden in de ‘echte’ wereld, en de loyaliteit en het toch steeds terugverlangen naar dat destructieve gezin is heel pijnlijk. Overigens ging ik uit nieuwsgierigheid wat googlen en vond het bedrijf in aromatische ‘spirituele’ oliën dat de moeder van Westover nog steeds heeft.

Het wolfgetal- Laura van der Haar. Een coming of age verhaal van twee meisjes van wie de een wordt geportretteerd als iemand met een persoonlijkheidsstoornis waar de ander in meegezogen wordt. Sterke scenes, minder sterke afloop.

Dagelijks werk– Renate Dorrestein. Uit droevigheid om het verscheiden van Dorrestein aangeschaft, en ook uit een soort verzamelwoede, want ik heb al haar boeken gelezen en dus moet deze ook. Dat moeten is een beetje jammer, want ik vind het minder boeiend om te lezen hoe haar boeken tot stand kwamen dan haar boeken zelf.

Spiegel spiegel schouder– Dorthe Nors. Zoals de naam van de auteur klinkt, zo is ook het boek. Een beetje nors en hoekig. Soms raak beschreven situaties, en soms ook helemaal niet. Verhaal over een vrouw die probeert te leren autorijden, wat een metafoor is voor haar leven waarin ook lang niet alles lukt. Mooi leesvoedsel voor dorpsmeisjes die stadsmeisje zijn geworden en flink heimwee kunnen hebben naar het dorp waar ze vandaan komen.

Stromboli- Saskia Noort. Ik lees alles van Noort, niet alleen omdat ze vermakelijk schrijft, maar ook omdat ik het sterk vind dat zij een van de bestverkopende auteurs van Nederland is en zich niet in de hoek van chicklitachtige non-literatuur laat drukken. Zo’n groot publiek aan je binden is knap en bewijst dat lezen niet voorbehouden is aan een elite. Haar opiniestukken vind ik trouwens ook ijzersterk- Noort is een feministe om trots op te zijn.

Moeders van anderen– Mirthe van Doornik. Een klassiek dit-kan-ik-niet-wegleggen-boek. Vanuit de oudste dochter beschreven gezinssituatie met een afwezige vader en dysfunctionele moeder. Schrijnend hoe twee meisjes moeten opgroeien zonder dat iemand voor ze zorgt, en hoe dat nauwelijks opvalt. Van Doornik maakte trouwens ook een mooie documentaire over haar tante, die ik in het boek meen te herkennen.

Mijn vader is een vliegtuig– Antoinette Beumer. Beumer, een succesvolle Nederlandse regisseur, schreef een boek over opgroeien met een psychisch zieke vader; interessant, omdat ik daar raakvlakken in herkende. Ze portretteert het boek als fictie, maar ik denk dat sommige zaken dichtbij haar eigen leven komen. Filmisch en beeldend beschreven zoals je van een filmregisseur mag verwachten, daardoor komen sommige situaties scherp binnen.

Gordon– Marcel Langendijk. Vroeger las ik alles, tot aan reclamefolders aan toe. Dat doe ik nog steeds, maar de folders laat ik liggen. Met dit boek had ik dat ook kunnen doen, en toch was het interessant. Vooral vanuit mijn beroep als verpleegkundige en het vak psychiatrie wat ik als docent geef, want de persoonlijkheidsstoornissen druipen hier van de pagina’s. Het thema van het boek is samen te vatten als ‘man vraagt aandacht, goedschiks dan wel kwaadschiks’ en van mij heeft hij die ook gekregen, maar dat duurde niet langer dan het uurtje waarin ik het uitlas. Iemand zou Gordon eens heel lang op schoot moeten nemen en knuffelen.

Las ik nog meer? Tuurlijk. Maar dat neem ik volgende maand mee. Onder andere ‘Wie is van hout’, een klassieker van Jan Foudraine over psychiatrie, en de bundel boeken van Nescio die ik nu aan het lezen ben.

 

Een anatomische les

Oh middernacht, pa-da, pa-da, schijn een lichie op mij..’
Ik weet niet precies hoe ik van  Laat mij maar alleen van het Klein Orkest op dit nummer ben gekomen, maar de wegen van mijn klikgedrag op YouTube zijn blijkbaar ondoorgrondelijk. Een leerling links in de klas begint spontaan mee te zingen. ‘Ik kom te veel in de kroeg denk ik, ‘ lacht ze als ik vraag hoe ze het kent. Sommige nummers hebben eeuwigheidswaarde, al zou je het ze in eerste instantie nooit toekennen.
Het is warm in het lokaal, de leerlingen werken zelfstandig met de ramen wijd open. In de nasleep van een voorstelling van Klein Orkest gisteravond speel ik voor halfbakken DJ. Muziek terwijl u werkt; de dagen van dokter Tulp zijn in het docentschap ver te zoeken. Een leraar legt niet alleen maar uit tegenwoordig, maar zorgt voor sfeer, voedt een beetje op, maakt een grap tussendoor en zorgt dat de leerling de kennis zelf verwerkt. De jongelingen zijn te moe voor verzoeknummers en dus klik ik her en der wat aan.
Oh oh Den Haag‘ wordt zachtjes meegeneuried onder het bespreken van de locatie van de mitralisklep, ‘Dansen op de vulkaan‘ wordt intensief beluisterd, maar niet herkend. Ik merk dat de muziek rust brengt, zoals wel vaker. Luisteren en ondertussen opdrachten maken is bekend terrein voor de studerende hersens.
Lessen kennen vaak een natuurlijk einde; als de opdrachten gemaakt zijn hoor ik de smalltalk aanzwellen. De leerlingen hebben het over het weekend, aankomende toetsen en hun banen, waar ze straks naartoe moeten. De meesten werken keihard om hun opleiding, boeken en levensonderhoud te betalen en combineren een lange dag op school vaak nog met een avonddienst in de zorg. ‘s Ochtends heb ik ze wel eens met wallen onder de ogen in de klas zitten en dat is niet van het stappen, maar van het vakken vullen bij een grootgrutter bij het krieken van de dag. Hen wegzetten als de generatie die alleen maar op schermpjes kijkt is onterecht.

Na een korte Kahoot quiz besluit ik de les tien minuten voor tijd te beëindigen om ervoor te zorgen dat onze eigen organen niet oververhit raken. Terwijl ik het lokaal afsluit verdwijnen ze in een andere ruimte onder het zingen van Oh middernahacht, schijn een lichie op mij. ‘Heb ik je nou een oorwurm gegeven’, vraag ik een vrolijk zingend meisje. ‘Ik denk het wel mevrouw,’ zegt ze, en ze lacht erbij, zodat ik me niet schuldig voel.

(afbeelding: nl.wikipedia.org)