Neighbours, everybody needs good neighbours

Een van de aspecten die mij minder aantrekkelijk leken aan het Oosterwoldtraject was het moeten samenwerken met buren die je nog niet hebt. Ik ben niet zo van het ‘samen’. Wel in klein verband en met mensen die ik zelf heb uitgekozen, maar niet als het het aangaan van verplichtingen met vreemden betreft. Het commune-achtige wat Oosterwold aanvankelijk voor mij uitstraalde, en waarover ik las op diverse blogs, schrok me echt af. Samen boompjes planten, wegen aanleggen, oeverloos vergaderen en borrelen leek me afschuwelijk. En daaruit voortvloeiend was mijn gedachte: als dit de kern is van wonen in Oosterwold heb ik er niets te zoeken.

De eerste ontmoeting met de toekomstige buren was tijdens het intekenen van onze kavels op het stadhuis van Almere. Gelukkig zaten daar hele gewone, niet-commune-achtige mensen, van allerlei culturen en afkomst en uit alle sociale lagen van de bevolking. Demografisch ook zeer interessant, want als je naar zo’n groep kijkt is er geen peil op te trekken: blijkbaar interesseert het realiseren van een vrijstaande woning op een lapje grond mensen van allerlei pluimage met zowel kleine als grote budgetten. Dat laatste vind ik er zelf het leukst aan. Ook als je alleenstaand bent en een kleinere beurs hebt, kun je een kavel  kopen en er bijvoorbeeld een tiny house op zetten. Omdat je landbouwgrond koopt, blijft het ondanks de prijsverhoging nog steeds te doen.

Met buren die je nog niet hebt vorm je natuurlijk niet meteen een groep, ondanks het grote gemeenschappelijke doel. Na een voorzichtige uitwisseling van gegevens werd er in ons geval eerst een appgroep uit de grond gestampt. Een dynamisch gebeuren omdat er nog wel eens aan kaveltje-wissel wordt gedaan en je ineens nieuwe buren blijkt te hebben. Ook zijn er in zo’n groep de usual suspects die actief zijn met regelen en reageren en mensen die het wat meer op zijn beloop laten, of al in genoeg appgroepen zitten en niet veel energie hebben voor weer een nieuwe. Daarnaast leer je ook dat niet iedereen even veel haast heeft met bouwen, en je dus zelf soms een kar zult moeten trekken om iets voor elkaar te krijgen. Samen met een aantal anderen is ondergetekende daarom op een gegeven moment begonnen met het bij elkaar krijgen van de groep om het over een kavelweg te hebben. De grond voor een kavelweg moet namelijk eerst collectief gekocht zijn voordat je de bouwgrond mag kopen. En wij, als in de echtgenoot, de zoon en ik, hebben haast. We zitten nu 4 maanden in een tijdelijke woning en kunnen niet wachten om richting Oosterwold te gaan, zeker ook omdat we vanaf september allemaal werken dan wel leren in die omgeving en hier helemaal niets meer te zoeken hebben. Nóg een tussentijdse verhuizing lijkt me niet gezond, en dus zetten we alles in op bouwen in augustus.

Een groep bij elkaar krijgen is nog een hele klus; wat zeg ik, een dagtaak. Maar uiteindelijk lukte het en hebben we tot alle tevredenheid gestemd voor het aansluiten bij een bestaande kavelwegvereniging, die positief lijkt over onze aansluiting. Wat mooi is, is dat er vervolgens allerlei initiatieven uit deze bijeenkomsten rollen en er ‘taskforces’ gevormd worden die zaken voor elkaar krijgen. Ook trekken we samen op als er onderzoeksrapporten moeten komen van bodem, slagschaduw, geluidsoverlast, etcetera. Dat is niet alleen een prettig gevoel (samen doen is stiekem toch wel leuk) maar drukt ook de kosten. Inmiddels is er tussen iedereen prettig contact in de appgroep, waar we het zakelijk proberen te houden, maar ook uitwisselen hoever we zijn en welke honden en katten we allemaal gaan tegenkomen in de straat. Het zorgt voor de broodnodige cohesie.

Al met al kijk ik uit naar de volgende vorderingen, maar ook naar de Nieuwjaarsreceptie die we gaan houden met alle buren die hebben ingetekend in ons kavelweggebied. We zijn een beetje bekend met elkaar, helpen elkaar met informatie en dat alles zonder de wens een commune te vormen. Ik kan me er wel in vinden, en dat verbaast mij, met mijn weerzin tegen groepen, in dit hele traject misschien nog wel het meest.

Oosterwold, een droom of een nachtmerrie?

Twee jaar geleden kwam J. met een idee. Zou het wat zijn als we een kavel kochten in Oosterwold, een nieuw project van de gemeente Almere? Waar je landbouwgrond kunt kopen en vervolgens projectontwikkelaar van je eigen grond wordt. Waar je zelf een weg moet aanleggen met de buren en de kavel bouwklaar laat maken, waar je vrij kunt wonen, en dat alles zo duurzaam mogelijk. Duurzaam is een modewoord, maar in Oosterwold is het echt een regel- je dient aan stadslandbouw te doen en je huis en tuin zo ecologisch mogelijk te bouwen dan wel aan te leggen. Zonder gas, zonder riolering, en, hoera, ook zonder welstandscommissie. Mits je bouwsel aan bouwtechnische regels voldoet mag je er alles neerzetten wat je wilt.
Ik wist het niet zo goed. Twijfelde aan het zelf doen. Tot ik rondliep in Oosterwold en zag dat inderdaad alles mogelijk is. Glazen appartementen, torens, tiny houses, ronde hutten, Hobbitwoningen, alles in alle kleuren staat in deze wijk. Het zag er zo eclectisch uit, zo regelloos en vrij, dat ik ter plekke overstag ging.

En nu hebben we naast onze drukke banen een extra baan: Oosterwold. We vergaderen met onze toekomstige buren en kavelwegvereniging, vragen vergunningen aan, maken ontwikkelplannen, laten rapporten maken. Je kunt het zo gek niet bedenken of er moet een rapport van komen: een ecologisch rapport, een bodemonderzoek, een slagschaduwonderzoek. Onze inspanningen werden afgelopen week beloond met het tekenen van een anterieurovereenkomst. We zijn nu min of meer grondeigenaar. En gaan vol in de volgende fase, namelijk het aanvragen van een omgevingsvergunning. En het aansluiten bij een kavelwegvereniging. Want zonder weg mag je niet bouwen, dus die moet eerst.

Ondertussen hebben we ons huis verkocht en wonen tijdelijk in een huurwoning. Onze zoon doet eindexamen en daarom blijven we tot die tijd in het noorden. We hebben al wel van alles naar de Randstad verplaatst, zoals onze banen. Ik rijd vier keer per week op en neer naar ‘t Gooi en Amsterdam, waar ik een geweldige baan als adviseur heb gevonden. Het leven is hectisch, het is druk, en ‘s avonds op de bank vraag ik me wel eens af of we het juiste doen. Eens per maand waag ik er zelfs een paar hormonale tranen aan. Maar we zitten er middenin en elke stap is een stap verder, dus we zetten steeds maar weer die ene voet voor de andere. Terug lopen is geen optie.

Omdat ik het een bijzonder project vind wil ik vanaf nu delen hoe het gaat met onze droom slash nachtmerrie. Om zelf nog eens na te lezen als we er later, in onze ecologische tuin, op terugkijken. Er voorzichtig om durven te lachen. Maar ook omdat ik het leuk vind om het verhaal te delen, en de zin in schrijven weer terug is. Voor zo lang het duurt natuurlijk.

Verkoopklaar

Bij elke klus die we doen in huis ben ik vervuld van de gedachte dat we hier weggaan. We maken het huis ‘verkoopklaar’ zoals dat heet; we maken het leeg, netjes, witten muren en vervangen zelfs een vloer. Opdat het de toekomstige koper moge behagen, die het wil zien alsof het niet bewoond is. Of maar een klein beetje. We wissen onze sporen. Het huis moet weer helemaal van zichzelf worden, met ons erin rondsluipend als ongenode gasten. Ik vind dat niet moeilijk. Ik ben zelfs heel goed in dingen achter me laten en opnieuw beginnen. Afscheid heb ik al genomen; ik heb het huis bedankt voor alle fijne jaren, en ook voor de minder fijne jaren, want het huis is stille getuige geweest van alles.

Maar nu, verf erover, dozen vullen, we trekken ons langzaam terug, de gedachten vol van wolkenluchten elders. Elders, waar het gras niet groener is, maar wel dichter bij thuis.

Kamperen- 12 nachten op een luchtbed en andere zaken

Kamperen?

Zelf had ik er ook wat vragen bij, toen steeds duidelijker werd dat we zouden gaan kamperen dit jaar. Want kamperen en ik, dat is door de jaren heen niet een heel gelukkige combinatie gebleken. Glamping, dat kan ik wel. Met een goed bed, iets wat op een keuken lijkt en een eigen wc en douche kom ik vakantiedagen heel goed door. Maar in een tent op een luchtbed slapen, koken op een gasstel met twee pitjes, en slechts gescheiden door dunne wandjes met andere mensen in één ruimte moeten poepen, daar wordt mijn hart niet warm van.
Toch gingen we precies dat doen. Waarom? Onze zoon houdt van campings en maakt er altijd vrienden. We hebben een hele mooie Stormvogel tent, die moesten we toch ook weer eens gebruiken. Lekker buiten leven is fijn. Dus ach, waarom zouden we het niet proberen?
Daar kwamen mijn vragen. Nou, misschien omdat ik niet goed slaap op luchtbedden? Daar had d’echtgenoot een oplossing voor: hij bestelde een extra lang tweepersoonsgeval, daar moest het op gaan lukken. En dat poepen en piesen in gemeenschappelijke ruimtes dan, en douchen in cabines waar andermans haren in het putje en aan de muren kleven? Daar was een andere oplossing voor: naar Duitsland op vakantie gaan. Het Duitse sanitair staat bekend om zijn hygiëne. Echt waar. Ga langs de Duitse snelweg maar eens naar wc. In Nederland hang je kokhalzend boven de bril, maar bij onze oosterburen kun je er fluitend op gaan zitten, zo schoon. Dus daar zouden ik en mijn smetvrees mogelijk uit kunnen komen. Zo makkelijk was ik om te praten. We gingen.

Tent

Een tent opzetten is leuk als je een beetje ruimtelijk inzicht hebt en ziet welke buizen waar moeten en waar de ingang zit. Ik word in dit soort situaties gebombardeerd tot hulpkabouter, want ik zie het niet. Mij moet je bevelen geven. Ik zie een berg onderdelen waar ik lichtelijk van in paniek raak. Stokken vasthouden kan ik en haringen in de grond slaan ook, maar meer moet je van mij niet verwachten. Gelukkig hebben we een verbouwing overleefd, dus ons huwelijk doorstaat ook het opzetten van een tent wel.
Erin slapen was een behoorlijke aanslag op mijn gestel. Mijn rug vond het extra lange grote luchtbed ook niet leuk (een luchtbed blijft een luchtbed), zodat ik er na een paar uur kermend vanaf rolde en dan maar vast naar het nog lege toiletgebouw liep om daar te genieten van het feit dat ik in  mijn eentje kon plassen, zonder steunende en puffende mensen om me heen of het geluid van plonzende drollen. Gek genoeg bedierf het slechte slapen mijn humeur totaal niet. Misschien omdat ik wist dat het tijdelijk was, en er weer een mooie dag aan zat te komen. Want die hadden we.

Mooie dagen

Dat Zuid-Duitsland mooi was wist ik, maar dat het prachtige azuurblauwe meren had niet. Een enorm meer met zo’n kleur zien opdoemen uit de verte voelt als een kadootje, zeker als je, eenmaal dichterbij, ziet hoe weinig mensen er zijn. Op sommige dagen hadden we een privéplek aan het water en kreeg ik, met de hete temperaturen erbij, bijna een Blue Lagoon gevoel.
Het lome zwemmen, slapen op een meegebracht dekentje, picknicken met vers brood en fruit en lezen  waren perfecte bezigheden om op te ontspannen. Sowieso heb je pas echt vakantie als je enige inspannende gedachtes gaan over wat je gaat eten en wat je wilt doen die dag. Werk, huishouden, prikkels, rekeningen zijn ver weg en dat is alsof je je hersens in een hangmat legt. Hier, ga maar liggen en een beetje schommelen in de wind.
Zoals hierboven zou ik al mijn vrije dagen door kunnen brengen, maar mijn reisgenoten denken daar iets anders over. Dus werd er ook geklommen, gevaren, gefietst en een brug bezocht, en in totaal hebben we in 8 meren gezwommen. Qua activiteitenradius niet verkeerd, en ‘s avonds bleef er genoeg tijd over voor een spelletje en een boek. En dan weer op dat vermaledijde luchtbed rollen, helaas. En eerst nog naar dat toiletgebouw, om gezellig met zijn allen op de wc te zitten.

Eten

Koken op een tweepitsgasstel op de grond is nogal een uitdaging, maar daar houdt d’echtgenoot wel van. En dus kwamen de lekkerste curry’s en pasta’s uit de meegebrachte minipannetjes. Een bak sla is ook zo gemaakt en we hadden een koelkastje bij ons, zodat we een en ander konden bewaren. Tel daar dat heerlijke Duitse brood bij op, dat vult als een baksteen zodat je de lunch kunt overslaan, en je dagen zijn culinair gezien helemaal rond. Op een hongerige puber na, die we af en toe moesten bijvoeden met curryworsten en ander Duits lekkers, maar dat was geen probleem.

Winkels

Mag ik hier nog even een lans breken voor Duitse supermarkten? Niet dat ik de hoorn des overvloeds wil promoten, want eigenlijk is het absurd wat wij in dit deel van de wereld allemaal kunnen kopen. Het gaat me meer om het biologische aspect- bio eten, makeup, cosmetica zijn in Duitsland grosso modo te krijgen in de doodnormale supermarkten. Biologisch inkopen is daar veel meer geïntegreerd en veel goedkoper, met als hoogtepunt gratis veganistische eetmagazines bij de kassa.
Ik heb wat betreft cosmetica biologische shampoos, douchecremes en makeup ingeslagen en niet alleen zit er niet eens een rokend gat in mijn portemonnee, ik voel me ook een iets beter mens.

De camping

Een camping is een eigenaardig fenomeen. Men neme een stuk grond, pleure daar een toiletgebouw en een receptie op en vervolgens mag alles en iedereen erop komen staan, met caravans, tenten en campers. Op elk tegeltje land ontstaan mini-biotoopjes, met complete voortentkeukens, wasrekken met wapperende bonte was, opblaaseenhoorns en opgestapelde kratten. Uit campers komen schotels tevoorschijn, want er moet wel televisie gekeken worden, en elke ochtend en avond zie je stoeten mensen met hun afwasemmers richting de wasruimte gaan. Op de camping gaat het gewone leven door: er wordt op vaste tijdstippen gegeten en afgewassen, en om 20.00 gaat de tv aan.
Tegelijkertijd nemen we het niet zo nauw met dingen die we thuis wel belangrijk vinden: ik stond met mijn keurige teiltje tussen mensen die hun afwas in de wasbak deden waar net een ander zijn jus had staan wegspoelen, en ik heb mensen horen kreunen en steunen tijdens het poepen die echt wel wisten dat ik ernaast zat. Blijkbaar is dat allemaal OK op de camping. Of de meeste mensen die gaan kamperen zijn gewoon neurose- en smetvreesvrij, dat is ook mogelijk.
Ik merkte zelf dat ik het prima vond om 5 dagen lang in dezelfde jurk te lopen, geen makeup op te doen en mijn haar elke dag zonder borstelen in een speld op te bergen. Onder die jurk had ik dan ook nog eens dagenlang mijn badpak aan, want we gingen toch elke dag zwemmen. Hoera voor het vervagen van gewoontes en normen op kledinggebied.
Overigens heb ik nog nooit in mijn leven zoveel mensen begroet als hier. Werkelijk elke Duitser die je tegenkomt onderweg van je tent naar elders, zegt ‘morgen of ‘abend tegen je. Nederlanders herken je doordat ze meters voordat ze je moeten gaan begroeten al opzij kijken en hun ogen neerslaan als ze je passeren. Lafbekken. Ik heb vrolijk meegedaan aan het Duitse begroetingsritueel, omdat ik het zo vriendelijk en opbeurend vond. We zouden elkaar vaker moeten begroeten in de wereld.

Kamperen

Op dag 13 rolde ik weer eens van mijn martelbed af en dacht: dit was de laatste nacht. Ik had er genoeg van. Het was 6.30 ‘s ochtends en nadat ik mijn bezoekje aan het toiletgebouw had afgerond, las ik het weerbericht: onweer, zwaar weer en regen tot diep in de nacht. D’echtgenoot had ook geen zin de dag daarna een natte tent op te vouwen en aldus was snel besloten: we gaan.
Dat het niet heel intelligent is om op het warmste moment van de dag twee tenten op te breken en in te pakken wisten we, maar we hebben het gered, liters zwetend. Daarna begon de reis die eindigde in een hoofdstuk uit een Stephen King boek. We moesten een wegopbreking omzeilen, belandden na een storm op het Duitse platteland, hebben uren in het donker over hobbelige, met takken bezaaide landweggetjes gereden en stonden uiteindelijk zelfs op een voetbalveld. Ik heb de snelweg bijna gekust toen we er weer op terecht kwamen. We kwamen uren later thuis dan we hadden gepland en ik ben, twee dagen na dato, nog steeds aan het bijslapen.
Weer kamperen? Ik dacht het niet. De tent staat te koop en we hebben een compromis bedacht: een lichtere, modernere tent kopen, de volgende keer korter kamperen, en dit combineren met een huisje of een iets comfortabeler manier van vakantie vieren. Stiekem denk ik dat het van vakantie vieren voorlopig niet komt, omdat we ons huis over een paar weken te koop zetten en een ander gaan bouwen.
Maar dat zien we nog wel. Eerst bijkomen van deze vakantie.

Wat las ik 5

Mijn e-reader, opgestuurd naar de reparateur, raakte zoek in de post. Misschien zit ergens een postbode van de boeken van Anton Valens te smullen, je weet het niet. Kwijt kan zoiets niet zijn, toch? Het is als de tweede sok in de wasmachine: hij is er wel, maar waar verstopt?

Bol zorgde voor het terugbetalen van mijn aanschafkosten, en ik kocht mijn oude ogen een wat grotere e-reader, waar ik nu dagelijks van geniet. Geen stapel zware boeken mee hoeven nemen naar mijn tent straks, en geen vreselijke Konsalik romans hoeven kopen, of derderangs detectives bij een sigarenboer omdat ik al mijn boeken al uit heb- e-readers zijn een zegen voor vakantiegangers. Wat las ik de afgelopen maand?

Neerslag van een huwelijk- Mensje van Keulen

Een dagboek van van Keulen zelf, neergepend tussen 1977-1979, waarin duidelijk wordt dat haar relatie met ‘Lon’ na 10 jaar kapot gaat omdat Lon verliefd wordt op een ander. Van Keulen begeeft zich in een intellectueel milieu waarin vrije seks gangbaar is, en zij en Lon proberen dit ook uit, maar worden er ongelukkig, gewelddadig, drankzuchtig en fatalistisch van. Ergens aan het eind wordt er een zoon geboren, van wie ik hoop dat hij een beetje stabiel heeft mogen opgroeien in deze krankzinnige omgeving. Er komen ook talloze bekende namen in dit dagboek voorbij, waardoor het extra levendig is om te lezen en je wordt teruggeworpen in de tijd (Bibeb, Theo Sontrop, Loesberg, Biesheuvel, ‘t Hart). Ik werd gek van de vergevingsgezindheid van de schrijfster, ze gaat zelfs een trio aan met haar rivale omdat Lon het wil; ik had hem met kop en kont het raam uit gesmeten bij dit voorstel, en waarschijnlijk halverwege het boek al. Van Keulen schrijft haar dagboek wel zo eloquent dat ik ook Bleeker’s zomer, haar debuut, heb gedownload en erin ben begonnen. Geschreven in 1972, en tijdloos goed.

Dit doet even pijn- Adam Kay

Een Britse dokter in opleiding beschrijft zijn dagen in de ziekenhuizen van de NHS. Waanzinnig lange werkuren, even ontroerende en idiote situaties met patiënten en collega’s. Herkenbaar voor iedereen, of je nu werkt in de gezondheidszorg of patiënt bent (geweest) en flitsend geschreven, niet zoals je verwacht van een arts. Kay is nu geen dokter meer maar scenarioschrijver, dat laatste begrijp ik volkomen gezien zijn humoristische en fantastisch onderkoelde schrijfstijl. Het eerste begrijp je aan het eind van het boek en ik zal hier geen spoiler geven, natuurlijk. Maar het heeft te maken met het militaire regime van de NHS ziekenhuizen en als dit niet zo’n grappig boek was, zou je het ook kunnen lezen als aanklacht tegen dat systeem.

De avond is ongemak- Marieke Lucas Reineveld

Beklemmend romandebuut (Reineveld publiceerde eerder dichtbundels) over een jeugd in een hedendaags gelovig boerengezin. Als de oudste zoon verdrinkt, zakken de ouders weg in een moeras van verdriet, wat zij uiten in onverschilligheid richting de overgebleven kinderen, die ze lijken te beschouwen als de kalveren in hun stal. De hoofdpersoon drijft weg in een fantasiewereld en houdt haar jas voortdurend aan om zich te beschermen tegen de buitenwereld. Ik werd af en toe hoorndol van de vele snotjes en kontgaatjes die voorbijkomen in dit boek, maar de sfeer is heel treffend beschreven- je ruikt de koeienstront, de spruitjes, de muffigheid en voelt de bekrompenheid waarvan je denkt dat die medio jaren ’90 eigenlijk niet meer bestond. Mooi wel. Of eigenlijk niet.

Wees onzichtbaar- Murat Isik

Terecht bejubeld boek. Isik neemt je mee naar zijn jeugd in de Bijlmer, waar hij, zijn moeder en zus zuchten onder de terreur van zijn vader, een zelfbenoemd intellectueel die zichzelf belangrijker vindt dan zijn gezin. Ondertussen moet Isik het ook buiten en op school zien te redden. Omdat hij Turks is, en stil, wordt hij al snel ‘de schoonmaker’ genoemd door irritante klasgenoten die ook nog eens gewelddadig blijken. Isik ontwikkelt zich als een sterke persoonlijkheid, vastbesloten zich aan zijn vader en deze omgeving te ontworstelen, maar zeer trouw en liefdevol naar zijn moeder die hem in alles steunt.

De interessanten- Meg Wolitzer

Wat lees ik veel boeken over jeugden (zeg je dat zo?). Onwillekeurige research voor mijn eigen manuscripten, misschien, die (zucht) over een jeugd en adolescentie gaan. Wolitzer beschrijft hoe een vriendengroep tot stand komt tijdens een zomerkamp. De vrienden zijn voorbestemd iets bijzonders te worden, vinden zijzelf en ook hun ouders, allemaal vanuit andere achtergronden en afkomsten. De klassenverschillen tussen de vrienden blijven bestaan, knap hoe Wolitzer duidelijk maakt dat hoe de vrienden de verschillen ook weg willen poetsen, dit niet lukt. Je afkomst zit geëtst in je ziel, lijkt ze te willen zeggen, en schijnt overal doorheen. Mooi hoe Wolitzer levens verweeft en van alle verhalen één maakt. Ik las ook De ontkoppeling van Wolitzer, deze neem ik volgende keer mee.

Berichten uit het tussenhuisje–Henk van Straten 

Geen jeugd in dit boek, wel het verhaal van de schrijver over wat er na zijn scheiding met hem gebeurt. Ik had steeds het idee een dagboek te lezen dat van Straten echter ‘verliterairt’ door afstand te nemen van wat hij schrijft. Hierdoor blijven alle gebeurtenissen aan de oppervlakte en kom ik er als lezer niet in- nergens lees ik echte emotie, het gaat vooral over vluchtgedrag en overal rakelings langs scheren zonder de bodem te willen raken. Van Straten wil graag mooi schrijven, dat doet hij ook want dat kan deze man, maar mooie zinnen en observaties zijn niet genoeg om hiervan een boek te maken dat je ademloos achterlaat. Dat hij zelf voortdurend het centrum van de aandacht is vond ik storend en claustrofobisch.

Verder las ik in het kader van verstrooiing: Gisteren liep ze nog van Maarten Spanjer (heerlijk oubollige anekdotes uit de Nederlandse entertainment industrie), De buitenstaander van Stephen King (een echte King- inmiddels in deze tijd wat ouderwets aandoende spanningsopbouw, maar oerdegelijk thrilleramusement) en De val van Annika S. van Simons & van der Zijl (wat onwaarschijnlijk verhaal over een gevallen politica die in een drugsverhaal verzeild raakt.)

Nog bezig in: De uitvreter van Nescio en Slachthuis 5 van Vonnegut. Vraagt wat meer aanpassing van mijn hersens door het archaïsch taalgebruik in het eerste boek en het absurdistisch aspect in het tweede, dus doe ik langer over, zoals je een goede wijn ook langzaam dient te drinken. Ik ben echter meer van het snel achterover gieten, dus hoop dat ik het geduld kan opbrengen om ze uit te lezen.

 

Even vrij

‘Je bent even helemaal vrij hè,’ zei een van de roeimaatjes vandaag in de sloep. ‘Hier hoeft niks.’ En zo ervaar ik het ook. Zodra ik in de sloep stap, hoef ik alleen nog maar hard te roeien. Lijf en armen naar voren, riem door het water halen en lijf naar achteren laten hangen, trappen met de benen. Het geluid van de wind en het water in je oren. Er bestaat twee uur lang niets anders dan de samenwerking met die andere hardwerkende mensen en de elementen. Je voelt elke spier, al je pijntjes, je beperkingen, je zwoegende longen. Soms brandt de zon op je kop, soms kom je amper vooruit door de harde wind en de stroming; vaker nog is het guur, koud, staat het ijs bijkans op je handen. Maar je gaat door, je geeft alles en je gaat kapot. Het is fantastisch.

Twee, drie keer per week zit ik van top tot teen in mijn lichaam. De rest van de week in mijn hoofd. En juist dáár moet zoveel. Al die lijstjes, plichten, taken, gedachtes zijn er even niet als ik roei. Ultieme vrijheid, ja, en eigenlijk zou dat gevoel er veel vaker moeten zijn.

Geen trompetgeschal

Meteen bij binnenkomst zie ik het: deze vrouw is blij. Blijmoedig is misschien het juiste woord. Het straalt uit al haar poriën, drukt zich uit in haar gebroken glimlach en in haar ogen, die je toe stralen. In mijn wereld zou er weinig animo zijn om je in haar toestand zo vrolijk te voelen. Ik heb niet de hoop dat een goddelijkheid mij in de armen sluit als ik het aardse verlaat. Hoop op redding door zo’n zelfde voorzienigheid koester ik evenmin. Wonderen dienen zich bij mij nooit aan, wel kansberekeningen en feitelijkheden. Ik moet het doen met het aardse leven. Daarna duisternis en het eeuwige, zalige niets. Mij wachten geen engelen en trompetgeschal.

Ik zie aan haar hoe goed het haar doet. Dat zij wéét dat het er voor haar wel is. Haar God en medegelovers geven haar die blijheid. Vertrouwen in dat het allemaal goed komt, wat het eindscenario ook wordt. Ze straalt warmte uit als een kacheltje en haar blik is constant liefdevol. Ik kan me voorstellen dat mensen graag en veel in haar nabijheid willen zijn. Dat ze willen hebben wat zij ook heeft: dat rotsvaste geloof. Ze is, in haar eigen stralende licht, een wandelend reclamezuiltje voor God.

Ik zie het, en weet: niet voor mij. Zij weet het ook. Het doet niets af aan het contact. Ik gun haar het licht en de engelen, en zij mij mijn feiten en kansberekeningen.

The perks of getting older

Eigenlijk merk ik het al sinds ik grijs ben: ik behoor tot een andere levenscategorie. Het maakt niet uit dat ik me 32 voel en soms nog steeds een kalf ben als het op gedrag aankomt, met grijs haar ben je oud. Of in elk geval niet meer jong.
Ik was al langer een ‘u’ en een ‘mevrouw’, maar met grijs haar ben je dat altijd. Nooit meer een ‘je’, alleen voor mensen die u zeggen niet in hun opvoeding hebben meegekregen; dank daarvoor, opvoeders.
Bij jonge mensen moet ik tegenwoordig eerst over een drempel heen voordat ik contact heb. Of eigenlijk moeten zij dat, ik heb nergens moeite mee. Zodra ze merken dat ik met grijs haar en een bril toch vrolijk, vriendelijk en enthousiast ben (lees: een kalf in vermomming) heb ik een ingang. Zoals een nieuwe, 20 jaar jongere collega vorig jaar tegen me zei: hee, je hebt humor. Dat was voor mij een redelijk OMG momentje. Ik vind namelijk zelf dat ik best veel humor heb. Ik maak overal een grap van om te vermijden dat ik te zwaar op de hand word (zelfkennis is trouwens een hele leuke bijvangst van ouder worden).
Een andere factor is onzichtbaarheid. Ik was al nooit een Doutzen, maar met grijs haar wordt het definitief. Op de een of andere manier ben je met deze haarkleur in het mandje ‘oninteressant’ beland.  Mensen kijken zelfs verstoord op als je je in een gesprek mengt of kenbaar maakt dat je aanwezig bent. Oma wil ook nog iets zeggen, in die trant. Het duurde heel lang voordat ik het begreep, omdat het plotselinge negeren niet in mijn systeem wilde landen. En ik zie mezelf uiteraard niet zoals de buitenwereld dat doet.
Aansluiting vinden is ook niet meer vanzelfsprekend. Ik kan heel leuk vertellen over mijn tien bandeloze jaren in Amsterdam, met seks ‘n drugs ‘n rock ‘n roll en nachtenlang dansen, maar het wordt een beetje sneu als je daarmee jonge mensen wilt imponeren. Wat me wel stoort is dat als ik er iets over vertel, iemand tegen mij zegt: ‘daar vind ik je geen type voor.’ Nee, met mijn dikke kont en bibliothecaressebril zie je me nu niet meer staan op een underground hardcore festival, dat begrijp ik wel. Maar zo zag ik er niet altijd uit, slik ik dan in. Iets verder kijken dan je neus lang is, je zou het veel mensen toewensen.

Ik begrijp heel goed dat mensen strijd voeren tegen het uiterlijk verval. Ik loop ook tegen beperkingen aan waar ik niet gelukkig van word. Maar mezelf op een cosmetische manier opleuken past niet bij wie ik ben. Ik word er zelfs een beetje koppig van- als iedereen het doet, doe ik het juist niet. Natuurlijk smeer ik ook met make-up, ga ik de deur niet uit als mijn mascara niet goed zit, ben ik dol op schoenen, gehecht aan mijn dure shampoo en mijn krullen. Ik sport me de moeder omdat ik zoals elk middelbaar mens denk dat ik daar strakker, jonger en gezonder van word, en hiermee mijn sterfelijkheid kan uitstellen.
IJdelheid is me niet vreemd. Maar verder dan dat gaat het niet. Mijn haar kleuren ziet er onnatuurlijk uit, mijn huid strak laten trekken vind ik geen optie. Je kunt verval uitstellen of omarmen. Ik omarm het, voorzichtig, en duw het soms nog even van me af om het beter te kunnen bekijken en te beslissen hoe ik ermee omga. En ondertussen werk ik aan het bestrijden van onzichtbaar zijn.
Met als resultaat dat ik toetreed tot het legioen ‘gekke oude vrouwen’, maar dat accepteer ik- het legioen ‘topmodellen’ zit er toch niet meer in.

Mijn eerste dag in het onderwijs

Onlangs deed ik mee aan een schrijfwedstrijd van Sterke School. Ik heb niks gewonnen, maar vind het leuk om mijn verhaal te delen:

Mijn eerste jaar als leraar was stiekem niet mijn eerste jaar. Ik had al in het volwassenenonderwijs gewerkt en besloot dat ik de lerarenopleiding wilde doen om in het regulier onderwijs terecht te kunnen. Een studiegenoot vroeg me als mede-mentor van een mbo niveau 2 klas en ik zei ja, blij met mijn eerste stage uren.

Daar stond ik dan, met mijn goed voorbereide kennismakingsles. Voor 27 meisjes die me van top tot teen opnamen en daarna besloten uit te proberen hoe lang het zou duren tot ik huilend het lokaal verliet. Ze gooiden met flesjes, schreeuwden door de klas en weigerden me aan te kijken als ik met ze praatte. Na deze eerste 1,5 uur was ik uitgeput en volledig van mijn a propos. Dit leek in niets op het volwassenenonderwijs.
Wat had ik ze te bieden?
Vertrouwen, besloot ik. Iemand die blijft, hoe bont ze het ook probeerden te maken. Iemand die grenzen stelt maar ondertussen vriendelijk blijft. Want vriendelijkheid, dat kenden ze niet zo goed, leerde ik stukje bij beetje. Complimenten ook niet. Ik wist niet dat er in zulke jonge levens al zoveel verdriet en narigheid bestond. Dat meisjes van 16 hun hele leven al moesten horen dat ze niks konden. En zo wezen veel van hen maar vast iedereen af die hen normaal benaderde, uit angst zelf afgewezen te worden.
Voorzichtig bouwden we een band op. Ik ging hen meer lessen geven. Werd trots op ze. Gaf grenzen aan. Ging met ze op stap. En stond op de playbackavond met alle meisjes op een podium, waar ze zonder aarzelen mijn hand pakten en met me dansten, de schaamte voorbij.
Twee jaar later deel ik hen met een dikke strot hun diploma uit. Ik ben gebleven. Zij zijn gebleven. Ze maakten mijn eerste week in het regulier onderwijs memorabel voor me. In die week besloot ik dat elke leerling een goede leraar verdient, en dat ik elke dag opnieuw voor dit besluit zou kiezen.

Boekenvoedsel

Dat je niet weet wat je hebt tot het er niet meer is, daar zong Joni Mitchell al eens over (en later Janet Jackson, waardoor ik überhaupt de muziek van mevrouw Mitchell leerde kennen). Dat het echt waar is ondervond ik toen mijn Kobo e-reader het begaf en ik daar welhaast een fysieke reactie op had. Het voelde als een rookverslaving die zich het ergst manifesteert als de sigaretten op zijn. Want: nu heb ik niets meer te lezen, oh god ik heb nu geen boek meer en nee he, ik was nog bezig in dat ene boek waren de gedachten die zich in sneltempo opvolgden in mijn hoofd, waarna er bijna een soort paniekgevoel ontstond. Bijna, want na ontdekt te hebben dat er garantie op de Kobo zat en ik in de tussentijd de Kobo app op mijn telefoon kon installeren was ik iets gerustgesteld.
Nu heb ik wel even aan mijn zoon uitgelegd dat ik niet de hele dag op mijn telefoon zit te turen, maar dat ik er mijn boeken op lees. Hij knikte cynisch ter kennisneming. Zelf zit hij bijna nooit op zijn telefoon, hij belt ermee tijdens het gamen. Dat is dan weer iets wat ik er nooit meer mee doe. Wij zijn overduidelijk van twee verschillende mobiele generaties.
Lezen op een mobiele telefoon valt niet mee; ondanks dat ik vind dat ik er iets goeds op doe, namelijk boeken lezen, voel ik me toch continu schuldig terwijl ik dat doe, omdat ik dan soms uren achter elkaar die telefoon voor mijn snufferd heb. Dat voelt als iets verbodens. De ambivalente verhouding met de smartphone ten top.

Wat las ik de afgelopen tijd op het geliefde kreng? Heel veel goeds. Dat is natuurlijk maar een mening, maar ik deel die toch graag, al is het maar om het lezen van boeken te promoten, of dat nu op een Kobo, een telefoon of in een old skool papieren exemplaar is. Ik wil dat maandelijks gaan doen hier- mijn leeslijstje delen. En ik hoor uiteraard graag tips om mijn eeuwige letterhonger mee te kunnen voeden. Komt ie:

Het boek Ont, Het compostcirculatieplan, Vis, Dweiloorlog en Meester in de hygiëne– Anton Valens. Anton Valens is schrijver, kunstenaar en werkt in de zorg. Met zijn boeken had ik hetzelfde als jaren geleden bij de ontdekking van de boeken van Bruce Chatwin: je kunt erin verdwalen, en wat fijn dat het niet bij een boek gebleven is. Valens is een begenadigd verteller die visueel ingestelde lezers op elke pagina bedient met schilderachtige taferelen, of hij het nu over verwaarloosde huishoudens en oude mensen heeft of het reilen en zeilen op een vissersboot. Bedenkt daarnaast zeer originele zaken, zoals een selfhelpclub van mannen die geen post durven openen.

Leerschool– Tara Westover. Autobiografisch verhaal van een meisje dat opgroeit in een streng Mormoons gezin, dat door de godsdienstwaanzin van de vader en de meegaandheid van moeder ten gronde wordt gericht. Vooral het verhaal dat zij vertelt als ze zich heeft losgemaakt trof me enorm; het is een gevecht om je staande te houden in de ‘echte’ wereld, en de loyaliteit en het toch steeds terugverlangen naar dat destructieve gezin is heel pijnlijk. Overigens ging ik uit nieuwsgierigheid wat googlen en vond het bedrijf in aromatische ‘spirituele’ oliën dat de moeder van Westover nog steeds heeft.

Het wolfgetal- Laura van der Haar. Een coming of age verhaal van twee meisjes van wie de een wordt geportretteerd als iemand met een persoonlijkheidsstoornis waar de ander in meegezogen wordt. Sterke scenes, minder sterke afloop.

Dagelijks werk– Renate Dorrestein. Uit droevigheid om het verscheiden van Dorrestein aangeschaft, en ook uit een soort verzamelwoede, want ik heb al haar boeken gelezen en dus moet deze ook. Dat moeten is een beetje jammer, want ik vind het minder boeiend om te lezen hoe haar boeken tot stand kwamen dan haar boeken zelf.

Spiegel spiegel schouder– Dorthe Nors. Zoals de naam van de auteur klinkt, zo is ook het boek. Een beetje nors en hoekig. Soms raak beschreven situaties, en soms ook helemaal niet. Verhaal over een vrouw die probeert te leren autorijden, wat een metafoor is voor haar leven waarin ook lang niet alles lukt. Mooi leesvoedsel voor dorpsmeisjes die stadsmeisje zijn geworden en flink heimwee kunnen hebben naar het dorp waar ze vandaan komen.

Stromboli- Saskia Noort. Ik lees alles van Noort, niet alleen omdat ze vermakelijk schrijft, maar ook omdat ik het sterk vind dat zij een van de bestverkopende auteurs van Nederland is en zich niet in de hoek van chicklitachtige non-literatuur laat drukken. Zo’n groot publiek aan je binden is knap en bewijst dat lezen niet voorbehouden is aan een elite. Haar opiniestukken vind ik trouwens ook ijzersterk- Noort is een feministe om trots op te zijn.

Moeders van anderen– Mirthe van Doornik. Een klassiek dit-kan-ik-niet-wegleggen-boek. Vanuit de oudste dochter beschreven gezinssituatie met een afwezige vader en dysfunctionele moeder. Schrijnend hoe twee meisjes moeten opgroeien zonder dat iemand voor ze zorgt, en hoe dat nauwelijks opvalt. Van Doornik maakte trouwens ook een mooie documentaire over haar tante, die ik in het boek meen te herkennen.

Mijn vader is een vliegtuig– Antoinette Beumer. Beumer, een succesvolle Nederlandse regisseur, schreef een boek over opgroeien met een psychisch zieke vader; interessant, omdat ik daar raakvlakken in herkende. Ze portretteert het boek als fictie, maar ik denk dat sommige zaken dichtbij haar eigen leven komen. Filmisch en beeldend beschreven zoals je van een filmregisseur mag verwachten, daardoor komen sommige situaties scherp binnen.

Gordon– Marcel Langendijk. Vroeger las ik alles, tot aan reclamefolders aan toe. Dat doe ik nog steeds, maar de folders laat ik liggen. Met dit boek had ik dat ook kunnen doen, en toch was het interessant. Vooral vanuit mijn beroep als verpleegkundige en het vak psychiatrie wat ik als docent geef, want de persoonlijkheidsstoornissen druipen hier van de pagina’s. Het thema van het boek is samen te vatten als ‘man vraagt aandacht, goedschiks dan wel kwaadschiks’ en van mij heeft hij die ook gekregen, maar dat duurde niet langer dan het uurtje waarin ik het uitlas. Iemand zou Gordon eens heel lang op schoot moeten nemen en knuffelen.

Las ik nog meer? Tuurlijk. Maar dat neem ik volgende maand mee. Onder andere ‘Wie is van hout’, een klassieker van Jan Foudraine over psychiatrie, en de bundel boeken van Nescio die ik nu aan het lezen ben.