Almerenees

Had je mij als jongeling verteld dat ik ooit in Almere zou wonen, dan had ik dat heftig ontkend, als snob voor wie alleen Amsterdam bestond als plek om te leven. Ik, in Almere? Tussen de afvallige Amsterdammers? Dat nooit. Als puber kwam ik er regelmatig, omdat er twee schoolvriendinnen woonden, maar ik kan me er nauwelijks iets van herinneren. Almere maakte geen indruk zoals andere steden dat deden. Dat kan ook bijna niet, want het bestond nog maar net en het zal er vooral leeg zijn geweest, in opbouw.

Met voortschrijdend inzicht en het krijgen van een kind bleek Amsterdam niet meer het paradijs op aarde. De stad die ik zo in mijn broekzak kon stoppen omdat ik er alle hoeken en gaten van kende, waar ik gefeest heb en vrienden voor het leven heb gemaakt, en verloren, bleek niet bestand tegen het verlangen om een kind frisse lucht, ruimte en groen te bieden. Ik liep wel eens huilend achter de kinderwagen omdat mijn verse, pure kindje al die fijnstoffen van de A10 in moest ademen (ja, hormonen, ik weet het, en toch een kern van waarheid).
Budget om in de stad te blijven wonen hadden we niet. In 2007 waagden we de oversteek naar Drenthe. Mijn kind heeft 13 jaar lang de lucht van de Drentse bossen in kunnen ademen. Met een vleugje A28, laten we wel reëel blijven.

Nu ben ik inwoner van Almere. Toen de echtgenoot en ik aan vrienden en familie lieten weten dat dit de volgende bestemming zou zijn, kregen we globaal dezelfde reacties als op onze verhuizing naar Drenthe. Namelijk:
– Almere???
– Wat moet je daar dan?
– Er zijn veel liquidaties daar hoor
– Er is echt niks te doen
– Ik zou er nooit willen wonen
Het bracht me niet van mijn stuk. Integendeel, ik begreep het heel goed. Zo zou ik zelf ook gereageerd kunnen hebben. Inmiddels weet ik dat geen enkele woonplek zaligmakend is. Je ergens thuis voelen is van zoveel meer afhankelijk dan de ligging. Je hip voelen omdat je ergens woont is zo nineties.

De stap naar Drenthe heb ik destijds ernstig verdedigd. Ik voelde me genoodzaakt vaak en ongevraagd op te sommen wat er allemaal leuk was aan deze provincie. Ik heb er zelfs een hele columnserie in Dagblad van het Noorden aan mogen wijden, als integrant in het noorden. Ik meende het ook allemaal oprecht, ik was een enthousiaste nieuwe Drent. Wat ik niet besefte, is dat Drenthe dit helemaal niet nodig had. De provincie verkoopt zichzelf wel. En daarbij, je houdt ervan of niet, dat is geheel persoonlijk. Waar de een teert op groen, rust en nuchterheid, kan de ander niet zonder uitlaatgassen, trambelgerinkel en temperament. En uiteindelijk komt het neer op je thuis voelen, in de omgeving en met de mensen om je heen.

Wat Almere betreft stootte ik mij achteraf bezien toch weer aan dezelfde steen. Omstandig legde ik aan jan en alleman uit hoe anders Almere Oosterwold is, tot ik door kreeg dat ik daarmee weer een behoorlijk snobistische boodschap uitzond. Als in: het lijkt helemaal niet op Almere, hoor. Het is heel anders dan je denkt. Gelukkig kwam ik er op tijd achter en heb ik mezelf een corrigerende tik gegeven.
Ik woon dus in Almere. Ich bin ein Almeriaan, Almerenees, hoe je het ook noemen wilt. En ik woon hier fijn, omdat ik me thuis voel in deze omgeving, de mensen begrijp en aanvoel, me niet langer een onbegrepen westerling of outcast voel. Dat heeft eigenlijk met Almere niks te maken, of juist alles. Uiteindelijk is wonen niet geografisch, maar verbonden met je hart.

We zijn er! (bijna)

En dus nog niet helemaal. Er is veel te doen, maar we hebben ook al heel wat acties achter de rug. Zo zijn we in afwachting van de omgevingsvergunning die is ingediend en de definitieve offerte van het huis, hebben we een taxatie aangevraagd en is de kavelwegvereniging bijna zover dat we de grond van de weg kunnen kopen. Daarna is de kavelgrond aan de beurt.
Het hele Oosterwold-proces blijft bijzonder, het wachten is iets waar je aan gewend raakt en tegelijkertijd heb je ontzettend veel te regelen en te organiseren. Nu er weer zoveel gebeurt en we stappen verder komen, merk ik dat ik me soms voel als een kind aan de vooravond van haar verjaardag, compleet met zenuwenkriebels.
De allerbelangrijkste gebeurtenis van de afgelopen tijd is dat we in Oosterwold wonen, al twee weken inmiddels, in een prachtig tijdelijk huisje. Een hectische tijd van inpakken, opruimen, organiseren, adressen wijzigen, schoonmaken en weer uitpakken is godzijdank voorbij. We hebben heel veel spullen in de opslag staan omdat ons huidige huisje te klein is om ze in te herbergen. Merlijn’s kamer noemen we grappend ‘de cel’ omdat het niet groter is dan een kloostercel. Hij is er hartstikke happy; gamen doet hij vanaf zijn bed, zijn bureau past er net in om aan te studeren en ook zijn kledingskast is erin gewurmd, maar het is er allemaal en hij heeft zijn eigen stekje, heel belangrijk als je zestien bent. Het idee dat het tijdelijk is helpt ook.
Voor het hele huisje geldt dat we er erg mee in onze nopjes zijn, het is gewoon een cadeautje. Het staat vrij en we hebben mega veel groen en ruimte om ons heen. Bovendien staat het hemelsbreed slechts 1 kilometer van de eigen kavel af, zodat we straks dichtbij het hele bouwproces kunnen zijn. En omdat we al in de definitieve woonomgeving zitten, kunnen we hier weer contacten gaan opbouwen en dingen gaan doen. Ik was al begonnen met roeien niet te ver hier vandaan en ga beginnen met Qi-Gong lessen in Oosterwold, man en zoon gaan vanaf volgende week tennissen. Ik haal brood in de buurt, er zijn markten en gezellige eethuisjes dichtbij waar ik in een corona-vrije toekomst graag heen zal gaan (oh! al die heerlijke Indonesische en Surinaamse toko’s, het soortgelijke assortiment in de supermarkten, ik ben zo blij dat we daar weer uitgebreid de toegang toe hebben), en er zijn hier enorm veel kleine ondernemers met leuk aanbod. Het is leuk om ergens te wonen waar het bruist van de activiteit, waar de buzz van iets nieuws door de wijken knettert.

Ondanks dat we nu in gebied zijn gaan wonen waar veel meer corona lijkt te zijn, voelt corona hier als ver weg. We hebben door drukte de tv nauwelijks aan gehad en kranten zijn ongelezen in de oud-papierpak beland. Ben ik hierdoor beter gaan slapen? Geen idee, maar de rust is welkom. Ik wil niet elke dag weten hoeveel mensen met corona in ziekenhuizen liggen, hoeveel mensen eraan doodgaan, waar het nu weer is opgelaaid. Ik ben zelf erg voorzichtig omdat ik in de verpleeghuisbranche werk, en meer kan ik niet doen. Dat ik het ooit ergens ga oplopen is bijna een gegeven, en tot het zover is wil ik er verder weinig over horen om mijn hoofd en hart niet overmatig te belasten. Wat heb ik eraan om elke dag weer geconfronteerd te worden met cijfers die zich vertalen in angst?

We hebben de draad van werk en leven weer opgepakt, de andere kloostercel in het huisje is ingericht als werkkamer waar J. en ik elkaar afwisselen. Ik moet tot 1 januari nog zoveel mogelijk thuiswerken, hij mag alweer naar kantoor. Onze zoon heeft 1 keer per week fysiek les en moet de rest thuis online volgen. Ontzettend jammer, omdat je op die manier je nieuwe klasgenoten niet goed leert kennen en niets in de praktijk kunt oefenen. Ik vind dit echt een enorm sneu jaar voor hem en alle mensen van zijn leeftijd die hetzelfde meemaken. Het lange, lange thuiszitten en amper in beweging zijn is zo erg dat we nu zelf weer een wandelprogramma zijn begonnen, ondanks mijn lage rugpijn. Het is voor iemand wiens lijf nog groeit echt niet goed om de hele dag te zitten, ik maak me er gewoon zorgen over. De kinderen die wel op school mogen komen zijn niet veel beter af, hoorde ik van een docent. Zij zitten de hele dag op dezelfde plek in een lokaal en mogen niet eens naar de kantine voor een broodje. Ik krijg er al hoofdpijn van als ik eraan denk.

Zo modderen we voort. We ploegen ons traag door het cakebeslag dat 2020 is geworden. Ik kijk uit naar alle mooie dingen die staan te gebeuren en probeer niet te denken aan de tegenslagen die ons zouden kunnen treffen. Dat is al heel wat voor een geboren pessimist als ik.

Trouwens, voor plaatjes van Oosterwold en straks het bouwproces, kun je me volgen op Instagram via @esdonk (niet openbaar, dus even toegang vragen).


Coronapost 3

En dan slaat de vermoeidheid toe. Die was er al, ergens, maar ik las dat we in een crisis heel lang kunnen doorlopen op adrenaline. Ik denk dat ik dat gedaan heb, op het laatst met slepende tred. En nu zie ik elke dag als ik opsta een moe hoofd, ook als ik goed geslapen heb. Body says no. Spirit ook.
Dat ik zo diep slaap de laatste tijd is ook een teken. Vanwege hormonale perikelen is een ononderbroken nacht slaap een zeldzaamheid. Maar zelfs hormonen kunnen verslagen worden door diepe vermoeidheid, vermoed ik. Ze liggen net als mijn hele systeem lam in een hoekje.

Ik kijk dus uit naar die good old zomervakantie, alhoewel wat kort: twee weken heb ik in het verschiet. De rest spaar ik op voor als de bouw van ons huis begint. Omdat het proces daarnaartoe voorspoedig verloopt (de bouwvergunning is aangevraagd, yay!) verwachten we dat dit ergens in het najaar plaatsvindt. Afhankelijk van wat de Letse bouwer kan doen, en of zijn/ons land dan niet op slot zit wegens coronagolf 2. Of 3. Maar we duimen, vanzelfsprekend, zoals we al duimend door dit hele Oosterwold proces gaan.

2020 is voor mij één grote impasse. Ik wacht niet op Godot, maar wel op een huis, een coronagolf die voorbijgaat of juist weer komt (don’t we all), op een verhuizing naar mogelijk weer een tijdelijk woonadres (of niet). Wachten, gepaard met spanning en bovengenoemde adrenaline maakt moe. Ik heb hierdoor mijn eigen behoeftes in de koelkast gezet. Dat komt ook doordat grote dingen zoals een landelijke pandemie, en alle gevolgen van dien voor onze zoon en ons werk, voor gingen. De kleine dingen verdwenen uit zicht. Ik merk dat het lastig is om ze weer te vinden.

Toch lukt dat her en der wel. Lezen was altijd al een lifesaver voor mij, en ik heb de afgelopen maanden meer gelezen dan ooit. Fijn, want het lukt me nu veel beter om me op lange teksten te concentreren, wat me door smartphonegebruik langzaam was ontstolen. Hieronder een lijst met de mooiste titels (geheel subjectief uiteraard, het zijn mijn persoonlijke vijf-ballen-boeken), voor degene die op zoek is naar boekentips:

Wij zijn licht- Gerda Blees
Uit het leven van een hond- Sander Kollaard
De dag dat ik mijn naam veranderde- Bibi Dumon Tak
De weg van de meeste weerstand- Lionel Shriver
Als het bloedt- Stephen King
De wilde stilte- Raynor Winn
De verhalen die we onszelf vertellen- Joan Didion
Stofzuigen in het donker- Jen Beagin
Sing Backwards And Weep- Mark Lanegan
Hoelang mag ik blijven?- Wendy Geuverink
Ook mijn Holocaust- Maurits de Bruijn
Oud genoeg om dood te gaan- Barbara Ehrenreich
Maar je ziet er helemaal niet autistisch uit- Bianca Toeps
The Man Who Ate Everything- Jeffrey Steingarten
Het verstoorde leven- Etty Hillesum (herlezen)
De Willem Ruis show- Gijs Groenteman
Ik moet u echt iets zeggen- Mensje van Keulen
De pest- Albert Camus (herlezen)
Een vrouw apart. En de stad- Vivian Gornick
Weersverwachting- Jenny Offill

We (de echtgenoot en ik, en soms ook onze 16-jarige, alhoewel de smaken hier ver uiteenlopen) hebben ook series gekeken. Omdat we onze tijd niet willen verspillen aan halfbakken producten, zoeken we tegenwoordig lang en goed en kopen een en ander om te kijken. Zo heeft Larry David me door een paar zware coronamaanden geholpen met deel 1 t/m 10 van Curb Your Enthousiasm. Echt, wat een heerlijke werkelijkheid in deze serie, waar verwende en rijke mensen zeuren om futiliteiten die eigenlijk heel groot zijn, omdat kleine dingen nu eenmaal de maat slaan in onze dagen. Na elke werkdag een of twee afleveringen Curb was heilzaam voor mijn gemoed. En David is onvermoeibaar, want er komt een elfde serie.
Succession was ook een serie die we ademloos hebben uitgekeken. We hopen hier juist niet op een vervolg overigens, het einde was perfect, het is af, niks meer aan doen.

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik door Carola het wandelen heb ontdekt, maar het tegendeel is waar. Overal zie ik jubelverhalen van mensen die de natuur intrekken op wandelschoenen en hierdoor zichzelf hervinden. Wat ik vind, is met name lage rugpijn die tijdens het lopen opspeelt, en enorme verveling die ik niet goed kan verklaren. Ik loop voornamelijk te hopen dat ik snel weer thuis ben, wat niet de bedoeling kan zijn van een wandeling. Gelukkig is enige tijd geleden het buitenbad in een dorp hier verderop weer open gegaan, waar ik direct een abonnement heb gekocht. Ik zwem baantjes en aquajog elke week. Ook ben ik weer gaan sloeproeien bij een vereniging in de Randstad, wat niet alleen goed is voor mijn lijf maar ook voor de sociale contacten, want de derde helft en dus een drankje na de training is hier vanzelfsprekend. Kortom, met bewegen zit het verder wel goed.

Ondertussen zijn we mentaal bezig met een afscheidstournee van Drenthe; in mijn vakantie gaan zoon en ik dit ook fysiek doen. We gaan langs alle plekken die voor ons belangrijk zijn geweest en maken hier een foto van. Van alle plaatjes maak ik een herinneringenboek. Ik sta zelf te popelen om te verhuizen, maar mijn zoon neemt afscheid van de omgeving waar hij is opgegroeid, en waar hij vrienden, school en het leukste baantje van Drenthe achterlaat. Niet makkelijk als je zestien bent, dat wil ik niet uit het oog verliezen.

Vermoeidheid, daar begon ik mee. Toch was ik niet te moe om dit stukje te tikken; daar krijg ik energie van. Nu ga ik enigszins opgeladen in de tuin zitten en genieten van het groen en de kwinkelerende vogels. Niet verkeerd.

Coronapost 2

Werk

Waar werk voorheen een exercitie was van voorbereidingen, lange in koffie gedrenkte reizen, intense gesprekken en indrukken, is het nu een soort dagdroom geworden waar ik in stap zodra ik op maandagochtend de computer aanzet, en waar ik met hoofdpijn en een vermoeidheid van lijf en leden langzaam weer uit drijf op donderdagavond. Ik bespreek het met vrienden die dezelfde ervaring hebben en we komen er niet uit. Is het een soort daze vanwege het gebrek aan variatie? Is het de lange zit achter de computer? Komt het doordat werk en privé naadloos in elkaar zijn overgegaan door het thuis werken? Ligt het aan het feit dat gesprekken op schermen plaatsvinden, waardoor je tegelijkertijd moet luisteren naar stemmen en ingespannen moet turen naar kleine, door haperende WiFi soms onscherpe gezichtjes, waarbij je alle subtiele signalen van non-verbale communicatie mist?
Ik weet het niet. Ik doe mijn werk goed, denk ik, en met dezelfde aandacht en intensiteit. Er is werk bijgekomen door de lockdown waar ik plezier in heb, en daardoor is het even druk als voorheen. De vorm vraagt blijkbaar iets van me waardoor ik er anders uit kom. Op donderdagavond suizen mijn oren en voel ik me alsof ik net geland ben en uit een vliegtuig wankel, onvast op de benen door de lange zit en dito verblijf in het luchtruim.
Het went niet, en dat is oké. Het is de realiteit. Daar kan ik mee omgaan.


Thuis

Goh, zei ik tegen de echtgenoot, wat doen wij het goed. We zijn elke dag met zijn drieën thuis en er is geen onvertogen woord gevallen. Of zijn er dingen die we moeten bespreken? Hij dacht het niet. Hij is sowieso een veel beter mens dan ik, vrij van ergernissen over futiliteiten.
Ik had kunnen weten dat ik deze uitspraak niet had moeten doen. Altijd als ik een situatie bevestig, zoals ‘wat fijn dat ik al een tijd geen blaasontstekingen meer heb’ of ‘nou, ik denk dat die enorme belastingaanslag niet meer komt’, word ik de volgende dag al tegengesproken door een acute verandering. Alsof ik een uitnodiging heb gestuurd. Beng, daar is de blaasontsteking, en kijk, daar komt de blauwe envelop door de bus.
De volgende dag was daar dus ook ons onvertogen woord. Iets over ruimte voor jezelf en een verkeerde interpretatie daarvan. Het was gelukkig snel uit de lucht. We beseffen dat we elkaar meer dan ooit nodig hebben, en een stabiele factor en voorbeeld zijn voor onze zoon. Gewoontes als samen eten, wandelen, een film kijken, een spelletje doen zorgen dat we ons sterk blijven voelen als gezin. Hard nodig omdat we alle drie aardige eenpitters zijn.
Ik weet niet of onze zoon een uitgestelde puberteit heeft qua woede naar de wereld en zich afzetten of dat dit niet meer gaat gebeuren, maar het komt voor nu heel goed uit dat hij ontspannen is, ons gezelschap niet ergerlijker vindt dan nodig en zichzelf vermaakt als wij werken.
Vanwege mijn pre-computertijd opvoeding ben ik wel eens bezorgd over het urenlang achter elkaar gamen. De jaren ’70 moeder in mij wil dan dingen roepen als ‘ga toch lekker naar buiten’, maar ik besef dat er weinig te doen valt buiten, dat op 1,5 meter afspreken met je vrienden niet makkelijk is in kleine tienerkamers en dat zaken als zwemmen of zomaar random door de stad lopen uit den boze zijn. De tennis- en drumlessen zijn er niet meer, het bijbaantje is al maanden gestopt. Nu de samenhang van elkaar elke dag zien op school is weggevallen, is afspreken buiten deze context ook lastiger voor pubers van zoon’s leeftijd. Zomaar even lekker naar buiten gaan is gecompliceerder geworden. Dus ik houd mijn mond en laat onze zoon doen wat hij prettig vindt. Het komt vast goed. Hij is nog steeds een lieve, behulpzame jongeman die ook graag uren met een goed boek in een stoel hangt.

Unlocked

Nu de regels soepeler worden en we meer ‘mogen’, ervaar ik niet meer vrijheid. Alles wat ik binnen een afgesloten ruimte afspreek gaat met een gespannenheid aan beide kanten van de afspraak die maakt dat ik opgelucht ben als het voorbij is. Ik ben zelf niet bang voor het virus, wel voor wat het kan aanrichten als ik het bij me draag. Natuurlijk lees ik wat het kan doen, en heb ik me in nachtelijke uren wel eens zwetend voorgesteld hoe het is om langzaam te stikken in je eigen longvocht, om dan tot besef te komen dat het niet voorkomen kan worden door me in detail voor te bereiden op hoe het zou kunnen zijn. Dat was een jarenlange tactiek van mijzelf om mijn ziekteangst, ingegeven door mijn door een bacterie gestorven partner, de baas te worden, maar ik ben oud genoeg om te beseffen dat dit oude rituelen zijn die me niets hebben gebracht.
Dus ik laat los, maar draag tegelijkertijd de lading van het feit dat dit niet iets is wat alleen mij kan treffen. Ik ben nog steeds extra voorzichtig, ga niet ergens heen als het niet hoeft of zorg ervoor dat het buiten plaatsvindt.
Ik omarm ‘het nieuwe normaal’ beslist niet. Het ergert me hoe snel de regering komt met dit soort luchtige termen en hoe snel de media dit overnemen, alsof er een reclamebureau bezig is om ons dit snel en effectief door de strot te duwen. Laten we eerst als samenleving maar eens afwachten hoe we hieruit komen, bekijken of er voorheen wel sprake was van ‘normaal’ en of we hiernaar terug willen.

Missen

Ik ben vanuit allerlei situaties gewend om wensen en verlangens in de koelkast te zetten alsof ik ze nooit gehad heb. Wellicht doe ik dat nu ook. Ik mis niets, ik denk niet aan wat ik mis, en ik leef bij de dag. Ik waardeer het dat ik mijn ouders en schoonouders kan ontmoeten in de tuin en dat ik vrienden spreek via de telefoon of een scherm.
Verder is alles on hold. Ik ben een wandelend dankbaarheidsdagboek, en misschien wel simpeler in wat ik van het leven vraag dan ik ooit zelf gedacht heb. Mijn hart gaat uit naar de mensen die in deze tijd de basisbehoeften moeten missen, die niet zoals ik elke dag te eten hebben, een bed hebben, een eigen plek; mensen die nog banger moeten zijn op straat dan anderen omdat ze de privileges niet hebben van mensen met een witte huidskleur.
Ik zag een foto uit India van over elkaar heen kruipende mensen op een station; zij moesten de trein in om naar een plek te kunnen reizen waar ze geld konden verdienen. ‘Social distancing is a privilege’ stond erbij, en het kwam binnen als een mokerslag.
In plaats van dingen en mensen missen besef ik wat ik heb, en dat ik met nog minder toe kan. Geven, dat wil ik nu meer dan ooit.

Estherwold

Het is wonderlijk wat een langdurig woningbouwtraject met je doet, vooral als elke stap daarin door jouzelf genomen moet worden. Behept met een ongeduldige natuur was ik de eerste periode na onze start vooral vaak gefrustreerd. Ik waardeerde de ministappen die we namen niet voor wat ze waren en vond ze vooral te mini. Ik ben iemand die niet makkelijk stil staat bij het proces, maar vooral heel snel het product wil hebben. Zoals veel mensen, vermoed ik. Dat kan niet als je een landbouwkavel koopt in Oosterwold, die je geheel zelf zult moeten ontwikkelen tot bouwkavel.
Inmiddels heb ik eieren voor mijn geld gekozen. Almaar door willen hollen werkt niet. Mijn lijf en geest protesteerden tegen zoveel spanning en verwachting. En blijkbaar kan ik het toch: tevreden zijn met elke stap, hoe klein ook. Ik berust in wat er niet loopt. En heb een soort basis-rust-gevoel over me heen gekregen, want dit gaat hoe dan ook goedkomen. Dat we ondertussen verpozen in een huurwoning waar we niet al teveel aan gehecht kunnen raken, went ook. We zijn al bezig met de volgende verhuizing naar ‘t Gooi. Als zoon daar straks zijn opleiding start, willen we op fietsafstand van de school wonen, zodat hij een nieuw sociaal leven kan opbouwen en kan afspreken met de vrienden die hij maakt.

Inmiddels zijn we vanaf stap 1 nu twee jaar met Oosterwold bezig, en we vorderen traag maar gestaag. De watervergunning is aangevraagd- chapeau voor Jaime, die daarin gedoken is. We hebben een architect in de arm genomen die bezig is met onze bouwvergunning en -tekening. We hebben definitief een houten skeletbouw huis gekocht in Letland en deze laten aanpassen naar onze wens. Het proces van lid worden van de kavelwegvereniging is, na lang wachten, in gang gezet. Dit is vooral heel belangrijk, omdat dat eerst moet gebeuren voordat de grond van de weg aangekocht mag worden. Pas daarna kunnen we onze kavelgrond definitief kopen. En er mag pas gebouwd worden als er een puinweg ligt, wat we ook via de vereniging moeten regelen.

Oosterwold is dus vooral een project van de lange adem. Het duurt nog wel even voor we er wonen. Toch voelt het als heel dichtbij en tastbaar, omdat we op driekwart van de hele procedure zitten. Ik durf nu te dromen over de inrichting van het huis, en we hebben het over het ontwerp van de permacultuur tuin. Daar horen kippen bij, een hangbuikzwijntje en ik heb het idee van een pony al geopperd. Ik zie een theetuin voor me waar ik eigengemaakte taarten serveer, gezellige samenkomsten met leuke buren waar we nu al veel contact mee hebben, een minibiebje voor diezelfde buren, zelfs een carriereswitch en een nieuw boek. Het is weer ouderwets druk in mijn hoofd. Ik heb dromen, ik heb plannen, het bruist en het borrelt.

Onze toekomstplannen boren mijn creativiteit aan, die ik dacht kwijtgeraakt te zijn in een omgeving waar ik me niet thuis voelde. Ik ben heel blij dat ik dat stuk van mezelf weer terug heb gevonden. Wat dat betreft is Oosterwold voor mij al geslaagd.

L’enfer

Mijn eerste zorgopleiding deed ik in een joods verpleeghuis. Vier dagen per week werken, één dag in de week naar school. Niks snuffelstage, niks wennen. Ineens was ik daar, op een afdeling voor zwaar dementerende mensen, waar het naar urine rook, waar zij hologig door de gangen schoven, mager, gerimpeld, met luiers aan, met blauw geworden concentratiekampnummers op hun armen.
De eerste weken dacht ik elke dag: ik blijf hier niet. Het is hier eng. Het stinkt. Ik vind het zo zielig.
Dat laatste bleef ik denken. Maar aan de geur wende ik. Na een poosje leerde ik de bewoners kennen, die niet eng waren, maar wel te grazen genomen door het leven. De nummers op hun armen een blijvend bewijs van de hel die ze hadden doorgemaakt. Het schuifelen door een verpleeghuisgang hun huidige hel. Mijn hoofd kon het niet goed rijmen. Hoe konden we mensen die zoveel hadden meegemaakt, hun leven laten eindigen op een kamer voor vier, met slechts een bed, een nachtkastje en wat foto’s aan de muur? Mensen, zoals ik het nu zie, met dementie en PTSS, die gruwelijk konden gillen en huilen als ze hun kampjaren herbeleefden, of hun jeugd, die gekenmerkt was door het verliezen van ouders, kinderen, geliefden.
Ik was jong, en probeerde het te begrijpen, maar het was zoveel om te begrijpen en te voelen. En ondertussen moest ik hen wassen, aankleden, eten geven, uit de poep halen, medicijnen geven. Bij de deur weghalen als ze naar huis wilden. Op dokters’ orders achter een tafelblad zetten als ze zich aan het doodlopen waren. Waarop ze ‘kapo!’ sisten en ik ging huilen in de wc, omdat ik me nooit had voorgesteld dat ik mensen die zo oud en kwetsbaar waren hun vrijheid zou moeten benemen.
De trauma’s zag je terug bij hun nakomelingen. Er kwamen familieleden op bezoek die puissant rijk waren, maar toch vroegen of ze restjes eten uit de koelkast mee mochten nemen. Er was een dochter die elke dag, 7 dagen in de week, de hele dag bij haar moeder bleef, die nergens op reageerde. ‘We hebben samen in het kamp gezeten, door haar leef ik nog. Nu zorg ik voor haar.’
Er waren bewoners die eten uit de kasten stalen en in hun hemd verstopten. Er waren bewoners die zo moesten huilen van de foto’s aan hun eigen muur, omdat iedereen daarop vergast was, dat we de foto’s weghaalden.
Het was zo rauw, dat ik de herinneringen haarscherp op mijn harde schijf heb staan. Ik kan me van de eerste twee afdelingen waar ik stage gelopen heb nog elke bewoner voor de geest halen. Ik herinner me ook wat een machteloos gevoel het soms gaf. Dat ik, bleue adolescent, me nog niet een schijntje van de impact kon voorstellen die oorlog en vernietigingskampen op deze mensen had gehad.
Pas later begreep ik ook wat deze oorlog met mijn eigen familie had gedaan- levens in de knop gebroken.
De Tweede Wereldoorlog raakt steeds verder weg, en dat is, in het licht van alle huidige oorlogen in de wereld die aandacht behoeven, misschien ook logisch. De mensen die het meegemaakt hebben worden schaarser in aantal, herinneringen worden overleveringen. Elk jaar gaan er meer stemmen op die zeggen dat Dodenherdenking en Bevrijdingsdag afgeschaft moeten worden. Dat zal wellicht ook gaan gebeuren in de toekomst.
Bij mij krijg je 4 en 5 mei er niet meer uit, net zoals Koningsdag er nooit meer goed in zal slijpen- daarvoor heb ik te vaak Koninginnedag gevierd.
Vandaag herdenk ik de mensen die gestorven zijn in een zinloze oorlog, zoals er ook vandaag en morgen zovelen zijn.
Morgen denk ik aan de mensen die bevrijd werden na vijf jaar hel op aarde. En elk jaar denk ik even aan ‘mijn’ bewoners, aan nummers op armen en kamertjes met een bed en een nachtkastje. Aan een hel die soms niet stopt, een leven lang niet.

De kraai

Ik zou het geen wakker worden noemen, daar was geen tijd voor. Het gekras van de kraai boven mijn raam zorgde ervoor dat ik meteen rechtop in bed zat. Het was alsof de kraai naast me in mijn oor zat te schreeuwen, op het kussen van mijn afwezige echtgenoot. ‘Onheil,’ dacht ik en luisterde onder mijn dekbed totdat de kraai even plotseling stopte met zijn schorre geroep als hij begonnen was. Wat deed hij zo dicht bij mijn raam? We zijn hier gewend aan vogelgeluiden die ons wakker maken, er zit zelfs een vogelnestje vlak onder het dak bij onze slaapkamer. Maar dit was indringend. Griezelig zelfs. In verhalen, films en legendes staat de kraai symbool voor de dood en akelig nieuws. Gevoed door de westerse verhalencultuur schoot dit me als eerste te binnen.
Op internet zocht en vond ik een boodschap die me meer aansprak: ‘Het zijn begeleiders die tussen hemel en aarde een oogje in het zeil houden of het wel goed met je gaat. Ze komen een groet brengen van overleden geliefden en laten je weten dat je nooit alleen bent op deze soms keiharde planeet. Het kan dan ook geen kwaad om de kraai of kraaien die je telkens ziet te groeten en te danken dat ze bij je zijn.’
Dat is het fijne van internet; voor elke vervelende boodschap is wel een tegenhanger te vinden die beter bij je past. Voor een omineus gevoel heb ik geen kraai nodig dezer dagen; daar zorgen corona en het bijbehorende algehele doemgevoel dat me elke ochtend overvalt wel voor. Het valt me steeds zwaarder om uit bed te komen en de dag te vullen met video-vergaderen en bellen, een obligate wandeling te maken en ‘s avonds met suizende oren van de overdaad aan telefonades in bed te vallen. Ik mag niet klagen, we moeten door, schouders eronder, enzovoort, maar die fase heb ik zes weken volgehouden en nu is het tijd om mijn zwaarmoedige kant de ruimte te geven. Want die is er ook. Niet te lang, want lamlendig op de bank hangen, eindeloos slapen en nergens zin in hebben is voor niemand goed, ook niet voor mij. Maar voor nu mag het even.
Misschien kwam de kraai dat vertellen. Je bent niet alleen. Hou vol. Slaap maar, hang maar. Eet chocola. Maak je niet druk over je bovenarmen, die spieren komen wel weer. Gegroet.
Of misschien is het fake news en kwam hij het nestje onder het dak leegroven.
Voor nu geloof ik even wat me het beste uitkomt.

Coronapost

Droom

Vannacht droomde ik dat ik longkanker had, in beide longen. Er was niets meer aan te doen. In de droom was ik soms in paniek, en soms berustend. Ik was ongerust over mijn gezin en dat ik ze zo vroeg al moest achterlaten. De vriend die ik lang geleden had en jong stierf kwam ook voorbij in de droom. Afgezien van de jaren na zijn dood heb ik nooit zo vaak aan hem teruggedacht als nu. Alles in het nieuws triggert herinneringen aan hem. Het IC-bed waar hij in lag na zijn spoedoperatie. De dokters die in en uit liepen. De apparaten rond zijn bed die bliepten en piepten. De zware stilte nadat die waren uitgezet. De stukjes lijm in zijn haar van het EEG-apparaat. De lucht van de Palmolive, waarmee we hem wasten na zijn dood, en die ik daarna niet meer kon verdragen.
Daarna droomde ik veel, en vaak. Dat doe ik nu weer.

In quarantaine

We zijn niet in quarantaine of zelf-isolatie. We werken thuis, de vierde week is net voorbij. Eind februari verbood ik mijn eega om met het openbaar vervoer te reizen, we gingen voortaan samen met de auto. Ik bestelde grote flessen handgel en mondkapjes. Ik heb geen vooruitziende blik, wel het brein van een verpleegkundige met een flinke dosis smetvrees erbij. De handgel ging in de auto, na elk bezoek aan een verpleeghuis waar ik werk waste ik mijn handen en goot voor de zekerheid wat ontsmettende gel over mijn handen.
‘Heb je geen corona?’ vroeg ik aan mijn moeder, die al weken aan het hoesten was en een kuurtje had gekregen van de huisarts. ‘Nee hoor,’ zei ze en kwam langs.
‘Ik denk dat ik toch corona heb gehad,’ zei ze gisteren tijdens het beeldbellen. ‘Wat ben je toch een eigenwijze babyboomer,’ zei ik. Dat kon ze gelukkig goed hebben.
Ik werd verkouden, met een loopneus. Ik ben in geen 25 jaar verkouden geweest en heb nooit griep. Wel darmvirussen, die vloeren mij soms letterlijk en figuurlijk. Deze loopneus was nieuw voor mij. Ik appte mijn broer, die op bezoek zou komen. ‘Oh nee, dan gaan we allemaal dood,’ appte hij terug, en kwam op bezoek met zijn gezin. We hadden een heel gezellige dag. Niemand is ziek geworden, ik hield twee weken lang een loopneus en een druk op mijn keel. De loopneus is overgelopen naar mijn man, die hem elke paar minuten ophaalt tot ik vraag of hij zijn neus wil snuiten. Dat doet hij. We werken samen in een ruimte. Het is geven en nemen.

Introvert

Ik ben een introvert die uitstekend overweg kan met een beperkte leefruimte. Daar ben ik de afgelopen weken achter gekomen. Wat we missen weet ik niet precies, ik haal afspraken uit mijn agenda zonder er al te veel bij stil te staan. We eten samen als gezin, wandelen of fietsen op vrije dagen, helpen onze zoon met zijn dagschema en werken. Er zijn geen ergernissen, behalve de gebruikelijke: de loopneus die opgehaald wordt, het nachtelijk gesnurk, het extreme uitslapen en uitstellen van de puber en de vaste uitspraken die daarbij horen: ‘ja-ha’, ‘bijna, ‘ik doe het zo’ en ‘ik doe het straks.’
Hoe het zou gaan als ik geen gezin had durf ik niet te bedenken. Ik heb tien jaar alleen gewoond en dat ging me uitstekend af. Maar in een tijd als deze ben ik blij met de mensen die ik dicht bij me heb. Zij zijn alles wat ik nodig heb voor nu. Het nu is ook alles wat ik aan kan. Per dag leven was nog nooit zo makkelijk.

Het nieuws

Ineens keken we elke avond het acht-uur journaal. Ik had daarbij zenuwen alsof ik zelf voor een katheder moest staan. De regels die werden afgekondigd nam ik in stilte aan. We probeerden onze zoon uit te leggen wat er gebeurde. We hebben heel veel aan hem uitgelegd de afgelopen weken. Hij belichaamt de veerkracht die de jeugd kenmerkt: even verdrietig om het gala dat niet doorgaat, om de vrienden die hij al weken alleen online spreekt, het autoproject waar hij aan begonnen was en dat niet doorgaat, het eindexamen dat hij mist. Daarna pakt hij de draad weer op en leeft binnen de beperkingen die er zijn. In grote luxe, dat besef willen we hem bijbrengen. In een huis met een tuin, een warme douche, voldoende te eten en ouders die hem liefdevol op de huid zitten- ik begrijp wel waarom hij soms tijdens een wandeling een alternatieve route kiest en we hem bemodderd bij de voordeur treffen. Even alleen zijn met jezelf en de blauwe lucht en de slootjes en de ooievaars, die verschrikt opspringen omdat jij door hun wei banjert. Hij doet het goed. Ik zie steeds meer de volwassene in hem gloren die hij zal worden.

We kijken minder naar het nieuws. Ik schreef boze brieven naar columnisten, die meenden dat mensen met obesitas minder recht hebben op een IC-bed dan ‘mensen die gezond hebben geleefd.’ Alsof obesitas een keuze is, alsof iedere zwaarlijvige zich een weg vreet door frituur en liefst geen vinger optilt. Voor mij, een vrouw met overgewicht, maar wel een die tot in het najaar twee tot drie keer per week sloeproeide en zich naar de sportschool sleepte een persoonlijke belediging.
Ik lees kranten, maar kies selectief wat ik daarin lees. Ik kan geen cijfers of grafieken meer zien. Ik vermijd alles waar ‘doden’ of ‘sterven’ in staat. Aan de beurt komen we toch wel. Het zal me overkomen of niet. Ik kies voor humor, relativering, ethische vragen; voor strips en columns die geen vingertje heffen. Op Instagram kijk ik naar foto’s van de mensen die ik aardig vind en vermijd ik beroemdheden die wijsheden in de ether slingeren. Ik ben zuiniger geworden met mijn aandacht, die verstrooi ik niet.

Buiten

We doen eens per week boodschappen. Dat deden we al. Nu mijden we echter grote supermarkten en kiezen voor kleiner en dorpser. Het 1,5 meter spel dat zich buiten afspeelt is de samenleving in een notendop. Er zijn mensen die het navolgen, er zijn mensen die vinden dat ze een rebel zijn door schouderophalend vlak langs je te lopen. Ik zie ouderen in verwarring stokstijf in een winkel staan, niet wetend welke kant ze op moeten. Ik wacht zelf soms heel erg lang tot ik erlangs kan, zodat die afstand gewaarborgd wordt. Ik ontsmet alles wat ik heb aangeraakt. De boodschappen nog net niet, maar ik was wel mijn handen nadat ik ze heb uitgepakt. Alles is besmettelijk en veel maatregelen zijn een wassen neus, maar waar het precies begint en ophoudt weet ik niet.
Buiten lopen we waar weinig anderen komen. Dat kan hier in Drenthe. Hardlopers zijn degenen die vinden dat de ander opzij moet en tikken je soms aan in het voorbijgaan. Het voelt als in het zwembad, waar de snelzwemmers hun eigen baan opeisen.

De wandelaars zeggen elkaar gedag. Altijd met een serieuze, samenzweerderige knik. Alsof we weten wat we doen en waarom. Dat is niet zo, maar de knik naar elkaar werkt geruststellend. We zitten hier samen in. We bezweren het door te wandelen. De natuur kalmeert ons en heeft ons niet nodig. Alles bot uit, wordt groen, vliegt, dwarrelt en zweeft, bijgestaan door een lucht die blauwer is dan ooit. We proberen te genieten en het lukt.



Lezen in onzekere tijden

Ik heb altijd al veel gelezen, en gek genoeg lees ik nog meer als ik het druk heb, of gespannen ben. Het is voor mij een manier om ergens anders te zijn, in een verhaal waar ik toeschouwer ben. Misschien juist omdat ik in het dagelijks leven helemaal geen toeschouwer ben, en er moet zijn in de wereld, moet handelen. Dat heb ik mezelf moeten aanleren, ik ben van nature een dromer. Ik mag dromen als ik lees.
Zo probeerde ik al lezend onder mijn bevalling uit te komen, maar dat werkte gek genoeg niet. Tegen beter weten in probeer ik het ook nu een gevaarlijk virus de mensheid teistert.
In een andere wereld stappen is troostend, maar soms ook bevestigend of confronterend. Ik heb het nodig om gedachten en verhalen van anderen te kennen, het brengt me dichter bij de ander, juist nu dat niet kan. Het hoeven geen opwekkende verhalen te zijn. Ik heb een voorkeur voor verhalen waar ik verwonderd uit kom, omdat er zoveel lagen in zaten dat ik er nog lang over na kan denken. Niet dat ik dat altijd doe. Meestal stap ik direct weer in een ander verhaal. Ik las buiten quarantainetijd een boek of drie per week, ik zal eens bijhouden of dat meer of minder wordt nu we heremieten tegen wil en dank zijn geworden.

Ik ga de komende tijd zo vaak als ik daar zin in heb met jullie delen welke boeken ik lees of gelezen heb. Ik heb geen idee of daar behoefte aan is, maar al kan ik er buiten mezelf maar één mens blij mee maken, dan is dat voldoende. Hell, dat ik er zelf blij van word al.

Een vrouw apart. En de stad- Vivian Gornick

Een boek dat mij meenam in het leven van een vrouw in New York. New York is hier bijna de hoofdpersoon; alles wat ze hoort en ziet beschrijft ze, zowel op straat als tijdens etentjes met vrienden. De moeizame verhouding met haar moeder sijpelt tussen alle vertellingen door. Een eenzaam maar toch gevuld bestaan.

Weersverwachting- Jenny Offill

Het is even wennen aan de telegramachtige schrijfstijl van Offill, maar eenmaal gewend begrijp je al lezende steeds beter wat hoofdpersoon Lizzie beweegt. Ze is een gewezen promovenda, werkzaam in een bibliotheek, en houdt zich bezig met haar persoonlijkheidsgestoorde en ex-verslaafde broer. Dit is niet goed voor haar huwelijk. Op verzoek van haar promotor gaat ze brieven beantwoorden van mensen die zich zorgen maken over de op handen zijnde apocalyps ten gevolge van klimaatveranderingen, en beseft steeds meer dat, welke overlevingsstrategieën ze ook bedenkt, deze weinig kans van slagen hebben.

Zondagskind- Judith Visser

Visser beschrijft hier haar eigen jeugd als kind met een ongediagnosticeerde vorm van autisme. Interessant om te lezen vanuit het perspectief van een meisje- autisme uit zich hier vaak anders, omdat meisjes zichzelf sociaal aangepast gedrag aanleren of vermijdingsgedrag gaan vertonen om te kunnen overleven. Wel een boek waar ik me doorheen moest worstelen vanwege de vele details die ik niet heel relevant vond.

Familiegeheimen- Astrid Holleeder

Vanwege het geïsoleerde leven dat Holleeder moet leiden begrijp ik dat ze zich nu vol op het schrijven heeft gestort. Niet geheel onverdienstelijk, maar het thema lijkt me nu wel uitgemolken. Desalniettemin gruwelijk dat je aldoor over je schouder moet kijken. Ze maakt goed voelbaar hoe het is om bang voor iemand te zijn, en toch nog veel van hem te houden.

Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar- Cindy Hoetmer

Hoetmer ken ik van haar leven als journalist; volgens mij heeft ze voor de Revu geschreven, wat ik ooit geweldig stoer en jaloersmakend vond (ik weet nu eigenlijk niet eens of de Revu nog bestaat, maar ooit verslond ik het wekelijks, toen Paul Blanca er nog voor fotografeerde en er spannende en wezenlijke stukken in stonden). Dit boek is geschreven vanuit het oogpunt dat de schrijver weinig meemaakt om over te schrijven, maar de gebeurtenissen die ze droogkomisch en onderkoeld beschrijft zijn zeer vermakelijk. Hoetmer spaart zichzelf niet en heeft geen pretenties. Verfrissend. Dat het zich in het Amsterdam van toen (en haar toen is ook mijn toen) en nu afspeelt maakt het voor mij als ex-Amsterdammer nog leuker.

Shrill. Notes from a loud woman- Lindy West

Nadat ik de gelijknamige serie op Hulu had gezien, heb ik alle boeken van Lindy West gekocht. West begon als journalist bij een wekelijkse krant, waar ze steeds meer over fatshaming ging schrijven toen dat nog niet gangbaar was. Ze werd erover verketterd op Twitter (waar anders), maar dit heeft haar niet tegengehouden, sterker nog, ze heeft een hele beweging in gang gebracht voor ‘fat acceptance’. Haar stukken zijn eye-openers voor mensen met en zonder overgewicht, omdat ze haar persoonlijke ervaringen als dikke vrouw in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen zet. Wat doen we elkaar eigenlijk aan in een samenleving waar we elkaar constant letterlijk en figuurlijk de maat nemen? Laat West doorschrijven, vooral zo lang ik nog met regelmaat opmerkingen hoor als ‘niet te geloven dat jij als kind zo dun was.’

‘En hoe gaat het met u, dokter Sachs?’- Lawrence Weschler

Sinds de film ‘Awakenings’ heb ik een belangstelling opgevat voor Oliver Sachs, en een aantal van zijn boeken gelezen. Dit is een soort van biografie over hem, maar niet helemaal- eerder losse notities, interviews met vrienden en gedachten opgetikt door een vriend van hem. Vriend is misschien een te zwaar beladen woord, aangezien Sachs behoorlijk neurotisch was en moeite had met intimiteit. Aan de andere kant reed hij motor, had veel seks en gebruikte drugs als een malle. Een fascinerende man, en een boek om in kleine stukjes te lezen vanwege de veelheid aan informatie, details en dropped names.

Opnieuw Olive- Elizabeth Strout

Ik houd van Olive Kitteridge, juist omdat ze een vrouw is waar je niet makkelijk van kunt houden. Ze is egoïstisch, onbehouwen en lijkt iets te hebben op het ASS spectrum, aangezien ze niet erg handig is op het gebied van communicatie. In al haar boertigheid brengt ze toch mensen bij elkaar, al dan niet onbedoeld. Strout beschrijft de kleine worstelingen van een ongewone vrouw knap.

Game of Zoons

Ineens, tijdens het zien van een scène uit Game of Thrones waarin Sansa smeekt om hulp omdat ze elke avond mishandeld wordt door haar kersverse, gestoorde echtgenoot, was ik het zat. Al die films en series waarin geweld tegen vrouwen wordt gebruikt. Waarin vernedering, neerbuigzaamheid, mishandeling, verkrachting, verachting van en naar vrouwen toe als een gegeven wordt gepresenteerd. Waarin ze figureren als mensen die alleen een functie hebben als seksueel object. Het gebeurt, en we denken ja, zo is het als je als vrouw alleen tussen de mannen leeft/ ‘s avonds alleen over straat loopt/met een dominante man trouwt/in die cultuur leeft/zulke kleding draagt. Ik vul het nu in, maar wat denken we eigenlijk als we zulke scènes zien? We accepteren het omdat het in de wereld waarin we leven ook gewoon is. De meeste mensen, ook ik, zien het als een gedramatiseerde representatie van de werkelijkheid.
Wat als we het zouden omdraaien? Als films en series vol zaten met mannen die mishandeld, verkracht, vernederd worden; series die draaien om angstige mannen die gedomineerd worden door vrouwen, en behandeld worden als tweederangs burgers. Er is vast een markt voor, maar dat bedoel ik niet. Draai het beeld eens om dat bestaat van mannen en vrouwen en zie hoe absurd het is hoe vrouwen worden uitgebeeld, en hoe er dankbaar gebruik wordt gemaakt van de stereotyperingen van het vrouw-zijn.
Begrijp me niet verkeerd, ik kijk graag naar Games Of Thrones, waarin ook sterke en onafhankelijke vrouwen hun opwachting maken. (Alhoewel; als ze dat zijn, zoals de vrouwelijke ridder, dan zijn ze meteen heel groot en mannelijk..)
Maar af en toe, zoals gisteren, bij de zoveelste gewelddadige of vernederende scène, grijpt het me naar de strot. Alwéér een vrouw in de slachtofferrol. Een vrouw die een man moet afweren en smeekt om genade.
Je bent een kop groter! Ram ‘m op zijn harses, gooi hem het raam uit, wilde ik gisteren tegen de televisie schreeuwen. Ik schreeuw doorgaans niet tegen televisiepersonages, dus ik hield me in. En Sansa draaide zich huilend om en stond toe dat ze bestegen werd door een gevaarlijke idioot.
Het is drama dat we blijkbaar graag zien, hoe raar dat ook klinkt, en waarvan we denken dat het allemaal uit de fantasie van een script-team is ontsproten. Maar soms wordt me pijnlijk duidelijk hoe ogenschijnlijk fictief drama voor veel vrouwen in de wereld dagelijkse kost is. Ik merk steeds vaker dat ik er niet naar wil kijken, omdat het me woedend maakt.
Gelukkig heb ik een enorme stapel boeken op mijn nachtkastje. Geschreven door sterke, onafhankelijke vrouwen, ook dat nog.

*Sorry voor de verhaspeling, ik kon het niet laten